Centrale Raad van Beroep, 30-06-2014 / 11-5754 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2014:2235

Inhoudsindicatie
Het Uwv heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB: 2013:882) nader onderzoek laten verrichten door een bezwaararbeidsdeskundige, waarmee voldaan is aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht en het vastgestelde gebrek aan het bestreden besluit is hersteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-30
Publicatiedatum
2014-07-07
Zaaknummer
11-5754 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/5754 WWAJ

Datum uitspraak: 30 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

23 augustus 2011, 11/147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Een meervoudige kamer van de Raad heeft in het geding tussen partijen op 28 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB: 2013:882) een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 16 augustus 2013 een nadere arbeidskundige onderbouwing ingediend. Hiermee is, naar de mening van het Uwv, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit van 14 december 2010 hersteld.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt hij het volgende toe.


1.2. Het Uwv heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak nader onderzoek laten verrichten door een bezwaararbeidsdeskundige. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij rapport van

22 juli 2013, na raadpleging van het Claimbeoordelings en Borgingssysteem (CBBS), een aantal functies geselecteerd die appellant, gelet op zijn functionele mogelijkheden, vastgesteld bij de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 oktober 2010, zou kunnen uitoefenen. Hij heeft de functies van productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 111172), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en productiemedewerker metaal (SBC-code 111171) geschikt bevonden voor appellant. Hierbij heeft hij nog een aanvullende toelichting gegeven op de in de CBBS-uitdraai van 22 juli 2013 voorkomende signaleringen bij deze functies. Met deze functies zou appellant meer kunnen verdienen dan 75% van het wettelijk minimumloon. Het Uwv heeft het bestreden besluit dan ook gehandhaafd.


1.3. Appellant heeft hierop aangevoerd dat de voorgehouden functies niet geschikt voor hem zijn omdat hij zonder meer dan gebruikelijke begeleiding en sturing niet kan functioneren in arbeid. Daarom is reguliere arbeid niet geschikt voor hem en de voorgehouden functies dus ook niet. Bij deze functies is weliswaar een leidinggevende aanwezig, maar er is geen sprake van op de problematiek van appellant toegespitste begeleiding. Appellant heeft nog aangevoerd dat hij, gelet op zijn zeer lage IQ niet beschikt over opleidingsniveau 2 en voorts dat onvoldoende is onderbouwd dat de voorgehouden functies ook op 28 maart 1997 in voldoende mate op de Nederlandse arbeidsmarkt voorkwamen.


1.4. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij rapport van 13 maart 2014 nader toegelicht dat de voorgehouden functies geschikt te achten zijn voor appellant, gelet op de in de FML opgenomen beperking op punt 1.9.3. en de door appellant afgeronde opleidingen basisonderwijs en aansluitend praktijkonderwijs bij[naam].




2.1. De Raad overweegt het volgende.


2.2. Zoals overwogen onder 4.2 in de tussenuitspraak heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de verzekeringsgeneeskundige onderbouwing van het bestreden besluit, zoals vastgesteld bij de FML van 20 oktober 2010. Deze FML is dan ook terecht als uitgangspunt genomen voor de nadere arbeidskundige beoordeling.


2.3. Het Uwv heeft met het nadere rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 juli 2013 voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht en het vastgestelde gebrek aan het bestreden besluit hersteld.


2.4. Bij de door de bezwaararbeidsdeskundige voorgehouden productiefuncties wordt gewerkt onder directe leiding van een productiecoördinator, chef of meewerkend teamleider. Gelet op de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperking op 1.9.3. van de FML, is toezicht en instructie door een begripvolle collega of meewerkend voorman een voorwaarde, en kan een jobcoach op afstand wenselijk zijn gedurende de start of een gewenningsperiode. De voorgehouden functies van productiemedewerker voedingsmiddelen industrie, productiemedewerker industrie en productiemedewerker metaal zijn op dit punt geschikt te achten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op dit punt een afdoende motivering gegeven. Ook overigens is er geen aanleiding voor twijfel aan de medische geschiktheid voor appellant van de voorgehouden functies


2.5. Over het opleidingsniveau heeft de bezwaararbeidsdeskundige terecht opgemerkt dat appellant, gelet op de door hem afgeronde opleidingen basisonderwijs en praktijkonderwijs, voldoet aan de eisen van opleidingsniveau 2.


2.6. Nu appellant, gelet op het bepaalde in artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong en de datum van indiening van de aanvraag van 28 mei 2010 pas met ingang van 17 september 2010 in aanmerking zou kunnen komen voor arbeids- en/of inkomensondersteuning op grond van de Wet Wajong, is niet relevant of de voorgehouden functies ook op 28 maart 1997 (de 18-de verjaardag van appellant) in voldoende mate op de Nederlandse arbeidsmarkt voorkwamen.


2.7. Gelet op overweging 4.3 van de tussenuitspraak slaagt het hoger beroep voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd evenals het bestreden besluit. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand dienen te blijven.


3.

Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.461,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.435,-.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 december 2010;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een totaalbedrag van € 2.435,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van

M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

30 juni 2014.




(getekend) M.C. Bruning




(getekend) M.D.F. de Moor




JvC