Centrale Raad van Beroep, 30-01-2014 / 12-933 AOR


ECLI:NL:CRVB:2014:247

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag van een periodieke uitkering op grond van de AOR. Van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 42 van de AOR is de Raad niet gebleken. Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-01-30
Publicatiedatum
2014-02-03
Zaaknummer
12-933 AOR
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/933 AOR

Datum uitspraak: 30 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (verweerster)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 17 januari 2012, kenmerk 0000273/CAOR (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2013. Namens appellante is verschenen mr. Van Berkel. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G. Belleflamme en mr. R.L.M.J. Gielen.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante is geboren in 1939 in het toenmalige Nederlands-Indië. In februari 2004 heeft zij verzocht om financiële aanspraken op grond van de AOR. Bij besluit van 3 februari 2005, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 februari 2006, heeft verweerster de psychische klachten van appellante aanvaard als oorlogsletsel in de zin van de AOR en haar een vergoeding toegekend van vrije geneeskundige behandeling. De tevens gevraagde uitkering is geweigerd omdat het aanvaarde oorlogsletsel niet heeft geleid tot gehele of gedeeltelijke ongeschiktheid tot het verrichten van passende arbeid. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.


1.2.

In januari 2011 heeft appelante opnieuw verzocht om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de AOR. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van

21 februari 2011. Het hiertegen gemaakt bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Met het verzoek van januari 2011 heeft appellante beoogd de eerdere afwijzende besluitvorming te herzien.


2.2.

Op grond van artikel 42 van de AOR kan verweerster indien na een eerder genomen beslissing feiten of omstandigheden bekend worden die, indien zij zich daarvóór hebben of zouden hebben voorgedaan en bekend waren geweest, tot een andere beslissing zou hebben geleid, op verzoek van de belanghebbende een andere beslissing nemen.


2.2.1.

In aansluiting op het verhandelde ter zitting benadrukt de Raad nogmaals dat het hierbij niet gaat om de vraag of verweerster destijds bij het nemen van het besluit al dan niet aperte fouten heeft gemaakt.


2.3.

Van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 42 van de AOR is de Raad niet gebleken. Appellante heeft argumenten aangevoerd die reeds eerder zijn aangevoerd of hadden kunnen worden aangevoerd. Dat appellante om haar moverende redenen eerder heeft afgezien van het instellen van beroep maakt niet dat deze argumenten bij de onderhavige aanvraag tot het oordeel kunnen leiden dat de eerdere besluitvorming niet juist is geweest.


2.4.

Het beroep treft dan ook geen doel.


3.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


3.1.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.


3.2.

In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee en een half jaar geduurd, dan moet vervolgens per instantie worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond (uitspraak van 9 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179).


3.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tegen het besluit van 21 februari 2011 op 28 februari 2011 zijn, tot aan de datum van deze uitspraak, twee jaar en elf maanden verstreken. De rechterlijke fase heeft minder dan twee jaar geduurd. Dat betekent dat de bedoelde overschrijding geheel aan de bestuurlijke fase is toe te rekenen.


3.4.

Het is aannemelijk dat appellante als gevolg van de lange duur van de procedure spanning en frustratie heeft ondergaan. Daarom zal verweerster worden veroordeeld tot vergoeding van de door appellante geleden immateriële schade. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De schadevergoeding wordt daarom vastgesteld op een bedrag van € 500,-.


3.5.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 6 van het EVRM. Gezien hetgeen is overwogen onder 2.3 zullen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand worden gelaten.


4.

Er is tot slot aanleiding verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944,- aan kosten van rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 januari 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerster tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 944,-;

- bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2014.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) S.K. Dekker



HD