Centrale Raad van Beroep, 30-01-2014 / 12-6474 WUV


ECLI:NL:CRVB:2014:251

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvragen om financiële aanspraken op grond van de Wuv als zelfvervolgde dan wel als nabestaande van hun vader. Appellanten zijn allen geboren na de Tweede Wereldoorlog en kunnen dus niet persoonlijk zijn getroffen door acties van de Japanse bezetter van het toenmalige Nederlands-Indië. Zij hebben dan ook geen vervolging ondergaan als bedoeld in artikel 2 van de Wuv. Voor een uitkering als nabestaande van een vervolgde kan alleen in aanmerking komen de weduwe of weduwnaar dan wel de minderjarige volle wees van de vervolgde. Appellanten waren ten tijde van de aanvraag al meerderjarig zodat zij ook om die reden geen aanspraak kunnen maken op de gevraagde uitkering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-01-30
Publicatiedatum
2014-02-03
Zaaknummer
12-6474 WUV
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6474 WUV, 12/6475 WUV, 12/6476 WUV, 12/6477 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in de gedingen tussen

Partijen:

[Appellant 1.], [Appellant 2.] [Appellant 3.] en [Appellant 4.], allen wonende [woonplaats] Indonesië (appellanten)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 28 augustus 2012, kenmerken BZ01494921, BZ01494929, BZ01494930 en BZ01494932 (bestreden besluiten). Deze betreffen de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2013. Daar zijn appellanten niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN


1.1. Appellanten (broer en zusters) zijn geboren in Indonesië respectievelijk in het jaar 1954, 1950, 1958 en 1952. In juni 2012 hebben zij verzocht om financiële aanspraken op grond van de Wuv als zelfvervolgde dan wel als nabestaande van hun vader [naam vader]. Aangevoerd is dat [naam vader], geboren in 1912 en overleden in 1980, tijdens de Japanse bezetting krijgsgevangenschap heeft ondergaan. Zij hebben altijd een moeilijk leven gehad door de ziekte die bij hun vader is ontstaan als gevolg van de krijgsgevangenschap, aldus appellanten.


1.2. Bij besluiten van 3 april 2012, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten, heeft verweerder op de aanvragen afwijzend beslist.


2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Appellanten zijn allen geboren na de Tweede Wereldoorlog en kunnen dus niet persoonlijk zijn getroffen door acties van de Japanse bezetter van het toenmalige Nederlands-Indië. Zij hebben dan ook geen vervolging ondergaan als bedoeld in artikel 2 van de Wuv. De Wuv kent weliswaar de mogelijkheid om personen met de vervolgde gelijk te stellen, maar dat is sinds 15 juli 1994 niet meer mogelijk voor personen, zoals appellanten, die behoren tot de na-oorlogsgeneratie.


2.2.

Voor een uitkering als nabestaande van een vervolgde kan alleen in aanmerking komen de weduwe of weduwnaar dan wel de minderjarige volle wees van de vervolgde. Appellanten waren ten tijde van de aanvraag al meerderjarig zodat zij ook om die reden geen aanspraak kunnen maken op de gevraagde uitkering. Dit zou niet anders zijn geweest indien zij direct na het overlijden van hun vader een aanvraag hadden ingediend.


2.3.

In beroep hebben appellanten nog gewezen op een psychologisch onderzoek dat is verricht. Zoals blijkt uit hetgeen onder 2.1 en 2.2 is overwogen kunnen appellanten geen aanspraak maken op de Wuv. Dat betekent dat een medische beoordeling niet aan de orde komt en de resultaten van het onderzoek buiten beschouwing moeten worden gelaten.


2.4.

Het voorgaande betekent dat de beroepen van appellanten ongegrond moeten worden verklaard.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2014.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) S.K. Dekker





IJ