Centrale Raad van Beroep, 31-01-2014 / 12-836 WIA


ECLI:NL:CRVB:2014:265

Inhoudsindicatie
Weigering IVA-uitkering. Onvoldoende grond om uit te gaan van een volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-01-31
Publicatiedatum
2014-02-04
Zaaknummer
12-836 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/836 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 december 2011, 11-1381 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 31 januari 2014

PROCESVERLOOP

[Naam appellante v.o.f.], rechtsvoorganger van appellante, heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nader stuk ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2013. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN


1.

Bij besluit van 31 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante en van [naam ex-werknemer A.] tegen het primaire besluit van 30 september 2010 gegrond verklaard en daarbij vastgesteld dat voor [naam ex-werknemer A.], (ex-)werknemer van appellante (werknemer), met ingang van 16 september 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer is vastgesteld op 80 tot 100%.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.


2.2.1.

Naar aanleiding van de daarover door appellante aangevoerde gronden, heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat het Uwv kan worden gevolgd in het standpunt dat de huidige arbeidsongeschiktheid van werknemer voortkomt uit een andere oorzaak dan die ten grondslag heeft gelegen aan de (gedeeltelijke) uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werknemer na een eerdere uitval bij appellante op 11 augustus 2003, van 9 augustus 2004 tot 1 mei 2007 heeft ontvangen. In verband hiermee heeft de rechtbank zich ermee kunnen verenigen dat werknemer ter zake van de onderhavige uitval op 18 september 2008 niet in aanmerking is gebracht voor een

WAO-uitkering met toepassing van Amberbepaling artikel 43a van de WAO, maar voor een uikering op grond van de Wet WIA.


2.2.2.

De rechtbank heeft daarbij, samengevat weergegeven, laten wegen dat uit de beschikbare medische gegevens genoegzaam blijkt dat werknemer op 18 september 2008 is uitgevallen met andere klachten dan hartklachten, de klachten waarmee hij destijds op

11 augustus 2003 was uitgevallen. Aan de uitval op 18 september 2008 lagen in het bijzonder gewrichtsklachten aan handen en voeten ten grondslag, alsmede vermoeidheidsklachten. De vermoeidheidsklachten kunnen volgens de behandelend cardioloog niet gerelateerd worden aan de vroegere hartproblemen van werknemer.


2.3.1.

In de tweede plaats heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat werknemer op 16 september 2010 niet in aanmerking komt voor een

IVA-uitkering, omdat hij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.


2.3.2.

Na een korte weergave van het relevante beoordelingskader, heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft benadrukt dat ten aanzien van de gewrichtsklachten van werknemer uit de beschikbare gegevens van de behandelende revalidatiearts en reumatoloog geen andere medische verklaring naar voren komt dan geringe degeneratieve afwijkingen, zodat geen contra-indicatie bestaat tegen het gebruik van de handen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts kan werknemer met oefentherapie de mobiliteit en daarmee de circulatie van zijn handen optimaliseren, zodat verbetering van zijn belastbaarheid het komende jaar zeker niet is uit te sluiten.


2.4.

De rechtbank heeft ten slotte, ten aanzien van zowel de vordering van appellante tot toekenning aan werknemer van een WAO-uitkering met toepassing van artikel 43a van de WAO, als ten aanzien van de vordering tot het verstrekken aan werknemer van een

IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering, laten wegen dat appellante geen medische gegevens in het geding heeft gebracht op grond waarvan twijfel aan de juistheid van de beoordeling van (de verzekeringsartsen van) het Uwv met betrekking tot beide kwesties gerechtvaardigd is.


3.1.

Appellante heeft haar standpunten in hoger beroep gehandhaafd.


3.2.

Primair is zij van mening dat werknemer per de datum in geding in aanmerking komt voor een WAO-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.


3.3.

Subsidiair blijft appellante bij haar opvatting dat werknemer in verband met volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid met ingang van de in geding zijnde datum in aanmerking dient te worden gebracht voor een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.


3.4.

Appellante heeft ter onderbouwing van haar beide gehandhaafde standpunten een rapport ingebracht van verzekeringsarts W.M. van der Boog, van 24 april 2012.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.1.

Het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen met betrekking tot de primaire vordering van appellante is juist. De overwegingen van de rechtbank waarop zij dat oordeel heeft doen steunen worden gevolgd.


4.2.2.

In aanvulling daarop overweegt de Raad dat het standpunt van appellante dat er wel een relevant oorzakelijk verband valt aan te wijzen tussen de oorzaak van de huidige arbeidsongeschiktheid van werknemer en die van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan hij de met ingang van 1 mei 2007 ingetrokken WAO-uitkering heeft genoten, uitsluitend wordt gegrond op de opvatting dat de bij uitval van werknemer op 18 september 2008 - naast de gewrichtsklachten ook - spelende vermoeidheidsklachten zijn terug te voeren op zijn eerdere cardiale problematiek. Appellante acht zich hierin gesteund door verzekeringsarts Van der Boog, die in zijn onder 3.4 vermelde rapport te kennen heeft gegeven dat hij geen redenen ziet om de vermoeidheidsklachten niet grotendeels toe te schrijven aan cardiale problemen van werknemer.

4.2.3.

Doorslaggevend om appellante en Van der Boog in die opvatting niet te volgen is, naar ook de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv in diverse rapporten heeft benadrukt, dat de voorliggende medische gegevens met stelligheid uitwijzen dat de cardiale situatie van werknemer de afgelopen drie jaren stabiel is gebleven, bij een redelijke inspanningstolerantie, en dat ook de behandelend cardioloog te kennen heeft gegeven dat vanuit zijn vakgebied geen duidelijke verklaring valt te geven voor de vermoeidheidsklachten van werknemer. Op grond van in het bijzonder deze informatie van de cardioloog staat genoegzaam buiten twijfel dat ten aanzien van werknemer van toegenomen beperkingen uit dezelfde (cardiale) oorzaak geen sprake is.


4.3.1.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, dat werknemer per datum in geding terecht niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering.


4.3.2.

Uit de beschikbare verzekeringsgeneeskundige rapporten, onder meer de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 18 mei 2011 en 7 juni 2011, komt naar voren dat de bezwaarverzekeringsarts, in lijn met het daartoe dienende beoordelingskader, zoals onder meer door de Raad uiteengezet in ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, heeft geoordeeld dat ten aanzien van werknemer geen sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelingsmogelijkheden en dat verbetering van zijn belastbaarheid en functionaliteit het komende jaar zeker niet valt uit sluiten.


4.3.3.

Daartoe is door de bezwaarverzekeringsarts in aanmerking genomen dat de cardiale situatie van werknemer de afgelopen drie jaren stabiel is gebleven bij een redelijke inspanningstolerantie, op grond waarvan hij geschikt is te achten voor het verrichten van licht (magazijn)werk, in principe zonder urenbeperking. Voorts heeft hij in aanmerking genomen dat werknemer, wat betreft zijn gewrichtsklachten, met oefentherapie de mobiliteit en daarmee de circulatie van de handen kan optimaliseren. Van afwijkingen die een

contra-indicatie vormen voor functioneel gebruik van de handen is niet kunnen blijken.


4.3.4.

Hiermee is toereikend onderbouwd dat ten tijde in dit geding van belang geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De andersluidende zienswijze van

Van der Boog kan daar niet aan afdoen. Daarbij wordt overwogen dat Van der Boog evenvermelde zienswijze, wat betreft de cardiale problemen van werknemer, grondt op de hiervoor onder 4.2.3 reeds verworpen opvatting dat werknemer te kampen heeft met vermoeidheidsklachten die in verband moeten worden gebracht met hartproblemen, en zijn zienswijze, wat betreft de gewrichtsklachten van werknemer, in het bijzonder doet steunen op het feit dat die klachten al ruim drie en een half jaar bestaan en verbetering daarom niet (meer) mag worden verwacht. In zijn reactie hierop bij rapport van 23 oktober 2013 heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht opgemerkt dat een dergelijke inschatting op basis van (enkel) de duur van de klachten, zonder verdere toetsing van behandelingsmogelijkheden, onvoldoende grond oplevert om uit te gaan van een volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.


4.4.

Het overwogene onder 4.2.1 tot en met 4.3.4 voert tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


4.5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2014.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) I.J. Penning



IvR