Centrale Raad van Beroep, 10-10-2014 / 12-4161 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2014:3303

Inhoudsindicatie
Korting op Wajong-uitkering. Geen recht op toeslag. Terugvordering. Hetgeen namens appellant is aangevoerd valt buiten de reikwijdte van het bestreden besluit. Buitenwettelijk, begunstigend beleid, op consistente wijze toegepast. Inlichtingenplicht niet nagekomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-10-10
Publicatiedatum
2014-10-14
Zaaknummer
12-4161 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/4161 WAJONG, 12/5262 WAJONG

Datum uitspraak: 10 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

20 juni 2012, 11/169 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.M. Arets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft bij brief van 20 september 2012 een besluit op bezwaar inzake de terugvordering ingevolge de Wet Wajong en de Toeslagenwet overgelegd.

Op dit besluit is namens appellant bij brief van 18 oktober 2012 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN


1.

Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 3, van de op 1 januari 2010 in werking getreden Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) en van de Toeslagenwet (TW).


2.1.

Aan appellant zijn een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en een toeslag op grond van de TW toegekend.


2.2.

Bij besluit van 20 mei 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant op basis van zijn inkomsten vanaf 1 oktober 2007 geen recht heeft op toeslag.


2.3.

Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv tevens vastgesteld dat op basis van de inkomsten van appellant, per 1 oktober 2007 de Wajong-uitkering van appellant niet wordt uitbetaald op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid over die periode minder dan 25% bedraagt.


2.4.

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het Uwv de door appellant over de periode

1 oktober 2007 tot en met 31 mei 2010 ten onrechte ontvangen Wajong-uitkering en toeslag van in totaal € 47.208,61 bruto van appellant teruggevorderd.


3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 20 mei 2010. Bij besluit van

23 december 2010 (bestreden besluit) zijn de bezwaren ongegrond verklaard en heeft het Uwv de eerder ingenomen standpunten gehandhaafd.


4.1.

In beroep is namens appellant, kort samengevat, betoogd dat appellant niet behoort tot de Wajong-gerechtigden maar thuishoort in de WAO.


4.2.

In verweer heeft het Uwv meegedeeld nader van mening te zijn dat het door appellant ingediende bezwaarschrift tevens gericht is tegen het terugvorderingsbesluit van 25 mei 2010. Het Uwv heeft het bestreden besluit in die zin aangevuld dat op grond van het aangevoerde in bezwaar, er geen reden is af te zien van de terugvordering van onverschuldigde

Wajong-uitkering en toeslag. Wel dient het bedrag aan terugvordering te worden bijgesteld in verband met een nog, achteraf berekend, bestaand recht op een Wajong-uitkering over de maand januari 2008.


4.3.

De rechtbank heeft overwogen het bestreden besluit met de door het Uwv aangegeven aanvulling te beoordelen. Vervolgens is overwogen dat hetgeen namens appellant is aangevoerd buiten de reikwijdte van het bestreden besluit valt. Voorts is overwogen dat niet is gebleken van gronden die de kern van het bestreden besluit raken noch is gebleken van gronden die tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. De rechtbank heeft vervolgens het beroep ongegrond verklaard.


5.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij niet thuis hoort in de Wajong.


5.2.

Na handhaving van zijn standpunt in verweer heeft het Uwv een besluit op bezwaar van 20 september 2012 overgelegd waarin het bezwaar tegen het (terugvorderings)besluit van

25 mei 2010 ongegrond is verklaard, met dien verstande dat het totale bedrag aan terugvordering van onverschuldigde Wajong-uitkering en toeslag over de periode

1 oktober 2007 tot en met 31 mei 2010, begroot is op € 46.884,75.


5.3.

Appellant heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met dit besluit.


6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


6.1.

Allereerst wordt overwogen dat vanwege proceseconomische redenen als ook in verband met finale geschilbeslechting het besluit op bezwaar van 20 september 2012 bij de beoordeling van het geschil wordt betrokken.


6.2.

Hetgeen namens appellant is aangevoerd valt buiten de reikwijdte van het bestreden besluit. Hetgeen daarover door de rechtbank is overwogen, wordt onderschreven.


6.3.

Zoals de Raad meermalen heeft overwogen staan tekst, doel en strekking van anticumulatie-artikelen als nu neergelegd in artikel 3:48 van de Wet Wajong en artikel 11a van de TW, toepassing met terugwerkende kracht niet in de weg. Onder omstandigheden kan toepassing met terugwerkende kracht echter in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, dan wel met een (andere) ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in welk verband van belang is dat het Uwv van toepassing van deze wetsbepaling pleegt af te zien in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel aan uitkering werd ontvangen. Het Uwv hanteert daarbij een beleid zoals dat is neergelegd in de zogenoemde Beleidsregels schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230). Dit beleid dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Dit brengt mee dat de aanwezigheid en toepassing van dit beleid als een gegeven worden aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of dit beleid op consistente wijze is toegepast.


6.4.

Er is geen aanleiding om te oordelen dat het Uwv zijn beleid in het geval van appellant niet op consistente wijze heeft toegepast. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij te veel uitkering ontving, temeer nu hij naast zijn inkomsten een volledige Wajong-uitkering en een toeslag ontving. Gememoreerd wordt dat appellant eerder (in het jaar 2003) gewezen is op de inlichtingenplicht bij het verwerven van inkomsten. Ook in het nu aan de orde zijnde geschil heeft appellant zelf, naast de melding van zijn werkgever in december 2007, geen melding van zijn inkomsten gemaakt en is hij de inlichtingenplicht niet nagekomen. Voorts is bij brief van 30 januari 2008 meegedeeld dat appellant rekening diende te houden met een terugvordering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid, in verband met de door hem verworven inkomsten, minder dan 25% is. Gelet op deze omstandigheden is er geen onderbouwing voor het standpunt dat appellant redelijkerwijs niet kon weten dat hij teveel Wajong-uitkering en toeslag heeft ontvangen.


6.5.

Op grond van artikel 3:56 van de Wet Wajong en artikel 20 van de TW is het Uwv verplicht om onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Nu bij bestreden besluit is vastgesteld dat sprake is van onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van

1 oktober 2007 tot en met 31 mei 2010 en appellant de hoogte en berekening van het teruggevorderde bedrag niet heeft betwist, heeft het Uwv terecht het onverschuldigd betaalde bedrag aan uitkering van € 46.884,75 van appellant teruggevorderd. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is niet gebleken. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor de betrokkene als gevolg van de terugvordering optreden. Die zijn niet gesteld.


6.6.

Uit 6.1 tot en met 6.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 20 september 2012 wordt ongegrond verklaard.


7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 20 september 2012 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en

E.W. Akkerman en C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van

M.H. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2014.




(getekend) M.C. Bruning




(getekend) M.H. Crum




JvC