Centrale Raad van Beroep, 28-10-2014 / 13-5759 WWB


ECLI:NL:CRVB:2014:3515

Inhoudsindicatie
Geen toekenning bijstand met terug werkende kracht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-10-28
Publicatiedatum
2014-10-30
Zaaknummer
13-5759 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5759 WWB

Datum uitspraak: 28 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 oktober 2013, 13/2602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2014. Namens appellante zijn mr. Van der Wal en [vader], de vader van appellante, verschenen. Het college heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Met de uitspraak van de Raad van 10 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1251, is zowel de intrekking van de aan appellante verstrekte inkomensvoorziening op grond van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) met ingang van 3 juni 2010 als de terugvordering van de kosten van de aan appellante over de periode 3 juni 2010 tot en met 31 juli 2010 verstrekte inkomensvoorziening in rechte komen vast te staan.


1.2.

Op 29 januari 2011 heeft appellante het college verzocht om haar met terugwerkende kracht weer een uitkering te verlenen. Bij besluit van 11 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 april 2013 (bestreden besluit), heeft het college appellante met ingang van 29 januari 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend. Het college heeft het verzoek om met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het de eigen verantwoordelijkheid van appellante is om tijdig een aanvraag in te dienen.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit gold ook voor de toepassing van de WIJ.


4.2.

Het betoog van appellante dat zij erop mocht vertrouwen dat het wel goed zou komen met haar uitkering en dat zij gelet op de lopende procedures en de vele contacten met het college niet hoefde te begrijpen dat zij weer opnieuw een uitkering moest aanvragen, slaagt niet. Ook al had appellante het idee dat zij van het kastje naar de muur werd gestuurd, wat daar verder ook van zij, het lag op haar weg om zich zowel bij onduidelijkheden over haar uitkering als voor het indienen van een nieuwe aanvraag tot het college te wenden. Per 1 augustus 2010 was de uitbetaling van haar inkomensvoorziening immers al geblokkeerd. Dat zij de hiervoor benodigde acties jegens het college heeft ondernomen valt uit de stukken niet af te leiden. De gevolgen van deze keuze van appellante moeten voor haar rekening en risico worden gelaten.


4.3.

Met de rechtbank is de Raad verder van oordeel dat de door appellante aangevoerde omstandigheid, dat zij tijdelijk - over de periode van 1 augustus 2010 tot 29 januari 2011 - geen inkomen heeft gehad, waardoor een problematische financiële situatie is ontstaan, terwijl zij (mogelijk) wel recht had op een uitkering over deze periode, geen bijzondere omstandigheid betreft die afwijking van de in 4.1 weergegeven hoofdregel rechtvaardigt.


4.4.

Haar stelling dat zij op het aanvraagformulier heeft opgegeven dat zij de uitkering eerder wil laten ingaan dan de datum van melding en dat zij erop mocht vertrouwen dat zij hiermee voldoende heeft gedaan om haar aanvraag voor een eerdere datum geldend te maken, slaagt niet. Het vermelden van een gewenste ingangsdatum is niet bepalend de datum van toekenning. Deze is ter beoordeling aan het college.


4.5.

Ook het beroep dat appellante heeft gedaan op de positieve verplichting die op het college rust in het kader van toepassing van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), slaagt niet. Anders dan appellante betoogt, brengt het bepaalde in artikel 8 EVRM niet mee dat het college ambtshalve, dus zonder dat daartoe een aanvraag is ingediend, dient te onderzoeken of appellante mogelijk aanspraak op een uitkering zou kunnen maken. Evenmin kan in artikel 8 EVRM een verplichting voor het college worden gevonden om met terugwerkende kracht een uitkering toe te kennen.


4.6.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en Y.J. Klik en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2014.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) O.P.L. Hovens




HD