Centrale Raad van Beroep, 25-03-2015 / 14-1291 WMO-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1011

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Afwijzing aanvraag voor uitbreiding van de hulp bij het huishouden. Onvoldoende deugdelijke motivering. De boodschappendienst is een algemeen gebruikelijke voorziening. Niet gebleken dat het college heeft onderzocht of appellante gezien haar beperkingen in staat is om een bestelling bij een boodschappendienst te doen en zij daarmee daadwerkelijk gebruik kan maken van de boodschappendienst. Onduidelijk of appellante in staat is tot het bereiden van een broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd. Wasverzorging. Geen rekening gehouden met beperkingen van appellantes gehandicapte broer. Lichte huishoudelijke werkzaamheden. Het sociaal-medisch advies biedt voldoende grondslag voor het bij het bestreden besluit niet toekennen van extra tijd voor de lichte huishoudelijke werkzaamheden. De Raad draagt het college op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-25
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
14-1291 WMO-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1291 WMO-T

Datum uitspraak: 25 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

21 februari 2014, 13/5221 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2015. Appellante is samen met haar broer [X.] verschenen en bijgestaan door mr. Driessen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Petronilia.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op 4 december 1962, is rolstoelgebonden en heeft als gevolg van diverse aandoeningen stoornissen in het lichamelijk functioneren. Er is sprake van het chronisch regionaal pijnsyndroom in het rechterbeen en de linkerhand en van halfzijdige verlammingsverschijnselen rechts. Zij kan haar rechterhand niet functioneel gebruiken. Appellante woont samen met haar broer [X.] die ook rolstoelgebonden is. Hij is tevens bekend met verschillende aandoeningen, waaronder een verstandelijke beperking.


1.2.

Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft het college appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 15 uur en 20 minuten per week hulp bij het huishouden voor de periode van 16 juli 2008 tot en met 15 juli 2013 toegekend. Aan dit besluit heeft het college een CIZ Adviesrapport van 21 juli 2008 ten grondslag gelegd. CIZ heeft in dat rapport vastgesteld dat appellante niet in staat is om de broodmaaltijden en de warme maaltijden te verzorgen. Zij is ook niet in staat om maaltijden op te warmen, op te scheppen en op te ruimen. Verder is zij niet in staat om de was te verzorgen. Binnen de leefeenheid, waar destijds de vader van appellante ook nog deel van uitmaakte, is vanwege incontinentie van meerdere huisgenoten sprake van erg veel extra was. CIZ heeft ten slotte vastgesteld dat appellantes broer zodanig beperkt is dat hij niet in staat is om iets van de huishoudelijke werkzaamheden over te nemen.


1.3.

In een aanvraag van 11 januari 2013 heeft appellante het college verzocht om uitbreiding van de hulp bij het huishouden.


1.4.

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft het college de aanvraag voor uitbreiding van de hulp bij het huishouden afgewezen. Verder heeft het college appellante voor de periode van 15 juli 2013 tot 15 juli 2018, rekening houdend met een afbouwperiode tot 2 december 2013, 5 uur en 45 minuten per week hulp bij het huishouden toegekend. Aan dit besluit heeft het college een sociaal-medisch advies van Trompetter & Van Eeden, van S.B. Nijsten, indicatieadviseur, en dr. P.J. Beks, arts indicatie en advies, van 24 mei 2013 ten grondslag gelegd. De conclusie is dat appellante met het toekennen van 2 uur en 30 minuten voor het zware werk en 1 uur en 30 minuten voor het lichte huishoudelijke werk, 1 uur en 30 minuten voor de wasverzorging en 15 minuten voor het opruimen van de boodschappen in staat wordt gesteld het eigen huishouden te kunnen voeren. Hierbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een meerpersoonshuishouden en zowel appellante als haar broer rolstoelgebonden zijn. Appellante wordt in staat geacht om zelfstandig een maaltijd op te kunnen warmen en een broodmaaltijd te verzorgen. Ook zou haar broer onder begeleiding van appellante deze taken kunnen uitvoeren. Verder kan appellante gebruik maken van een boodschappenservice en een maaltijdservice, zodat daarvoor geen tijd hoeft te worden toegekend.


1.5.

Bij besluit van 31 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 20 juni 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad oordeelt als volgt.


Boodschappen doen en maaltijdverzorging


4.1.

Op grond van het Protocol Indicatiestelling Hulp bij het Huishouden gemeente Cuijk 2012 wordt in principe geen tijd geïndiceerd voor het doen van de boodschappen en het verzorgen van maaltijden. Een belanghebbende moet hiervoor in eerste instantie een beroep doen op de aanwezige voorliggende voorzieningen, waaronder een maaltijdvoorziening, kant-en-klaar maaltijden en een boodschappendienst. Echter, als de belanghebbende hierop geen beroep kan doen kan sprake zijn van een compensatieplicht.


4.1.1.

Het uitgangspunt dat een maaltijdenservice, kant-en-klaar maaltijden en een boodschappendienst aan het verstrekken van een voorziening voor het bereiden van warme maaltijden en het doen van de boodschappen in de weg staan is volgens vaste rechtspraak van de Raad, onder meer neergelegd in een uitspraak van de Raad van 31 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2147, niet in strijd met de Wmo, onder de voorwaarde dat deze voorzieningen daadwerkelijk beschikbaar zijn en door de aanvrager financieel gedragen kunnen worden.


4.1.2.

Niet in geschil is dat appellante en haar broer niet in staat zijn om zelfstandig boodschappen te doen. Het college heeft echter geen tijd toegekend voor het doen van boodschappen, omdat appellante gebruik kan maken van een boodschappendienst. Volgens het college is de boodschappendienst daarom voor appellante een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een voorziening voor het doen van boodschappen in de weg staat. Appellante heeft aangevoerd dat het in verband met haar beperkingen voor haar niet mogelijk is om via de computer of anderszins een bestelling bij een boodschappendienst te doen. Ook haar broer, die verstandelijk beperkt is, is hiertoe niet in staat.


4.1.3.

Naar het oordeel van de Raad heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd of de boodschappendienst voor appellante heeft te gelden als compensatie voor haar beperkingen. Niet is gebleken dat het college heeft onderzocht of appellante gezien haar beperkingen in staat is om een bestelling bij een boodschappendienst te doen en zij daarmee daadwerkelijk gebruik kan maken van de boodschappendienst. Dit betekent dat het bestreden besluit in zoverre niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


4.1.4.

Het college heeft verder geen tijd toegekend voor de verzorging van maaltijden. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellante gebruik kan maken van een maaltijdenservice en kant-en-klaar maaltijden. Verder wordt appellante in staat geacht om zelfstandig een maaltijd op te warmen en een broodmaaltijd te verzorgen. Ook zou haar broer onder begeleiding van appellante deze taken kunnen uitvoeren. Ter zitting van de rechtbank heeft het college toegelicht dat de maaltijdenservice maaltijden aanbiedt voor € 4,- tot € 6,-.


4.1.5.

Niet in geschil is dat appellante gebruik kan maken van een maaltijdenservice en kant-en-klaar maaltijden. De omstandigheid dat appellante de maaltijden van de maaltijdenservice te duur en kant-en-klaar maaltijden niet lekker vindt kan niet leiden tot het oordeel dat het college tijd had moeten toekennen voor het bereiden van de warme maaltijden. Daarbij is van belang geacht dat de kosten voor de maaltijdenservice niet onevenredig hoog zijn en het college ter zitting van de Raad te kennen heeft gegeven dat verstrekking van bijzondere bijstand mogelijk is als appellante de kosten van de maaltijdenservice financieel toch niet kan dragen.


4.1.6.

Het college heeft voor zijn standpunt dat appellante dan wel haar broer in staat is om een maaltijd op te warmen en een broodmaaltijd te verzorgen gewezen op het sociaal-medisch advies van 24 mei 2013. Uit dit sociaal-medisch advies blijkt evenwel niet waarom appellante dan wel haar broer hiertoe in staat moet worden geacht. Dat is geobserveerd dat de broer van appellante in staat is om een transfer te maken vanuit zijn elektrische rolstoel naar het krukje voor de computer en zelfstandig een computerspelletje kan spelen is daarvoor onvoldoende. Tevens is in dit verband van belang dat appellante en haar broer, blijkens het CIZ Adviesrapport dat het college aan het besluit van 6 augustus 2008 ten grondslag heeft gelegd, niet in staat zijn om een maaltijd op te warmen en een broodmaaltijd te verzorgen. Dit betekent dat het bestreden besluit ook ten aanzien van het niet toekennen van tijd voor het bereiden van een broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd niet op een deugdelijke motivering berust.


Wasverzorging


4.2.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat extra tijd moet worden toegekend voor de wasverzorging in verband met incontinentieklachten en vanwege het overmatig zweten alsmede het bloedverlies van haar broer. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij gewezen op twee medische verklaringen van haar huisarts van 27 november 2011. Het college heeft voor de wasverzorging geen extra tijd toegekend, omdat er geen geobjectiveerde redenen zijn waarom dit noodzakelijk zou zijn.


4.2.1.

Uit de door appellante overgelegde medische verklaringen van haar huisarts blijkt onder meer dat appellante bekend is met incontinentie. Het college heeft hiermee ook bij het besluit van 6 augustus 2008 rekening gehouden door meer tijd voor de wasverzoring toe te kennen. Uit de medische verklaringen van de huisarts blijkt verder dat appellantes broer bekend is met overmatig transpireren en hij soms last heeft van rectaal bloedverlies. Het bestreden besluit berust ook in zoverre niet op een deugelijke motivering.


Lichte huishoudelijke werkzaamheden


4.3.

Appellante heeft betoogd dat voor de lichte huishoudelijke werkzaamheden meer tijd moet worden toegekend voor het stofvrij houden van de woning in verband met haar

COPD-klachten. Deze klachten zijn niet betrokken in het medisch advies. Appellante heeft gewezen op de door haar overgelegde medische verklaring van haar huisarts van

27 november 2011.


4.3.1.

Anders dan appellante heeft betoogd hebben de indicatieadviseur en de arts indicatie en advies de COPD-klachten van appellante wel betrokken in het sociaal-medisch advies en op basis van de aangegeven ernst van de klachten de energetische beperkingen als licht tot matig beschouwd. Uit de medische verklaring van de huisarts van appellant kan niet worden afgeleid dat sprake is van dusdanig ernstige COPD-klachten dat de woning van appellante stofvrij zou moeten worden gehouden. De gedingstukken bieden hiervoor ook anderszins geen aanknopingspunten. Gelet hierop biedt het sociaal-medisch advies voldoende grondslag voor het bij het bestreden besluit niet toekennen van extra tijd voor de lichte huishoudelijke werkzaamheden.


5. De rechtbank heeft wat is overwogen onder 4.1.3, 4.1.6 en 4.2.1 niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding het college opdracht te geven de in voornoemde rechtsoverwegingen geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2015.



(getekend) A.J. Schaap




(getekend) G.J. van Gendt




DK