Centrale Raad van Beroep, 03-04-2015 / 13-5594 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1060

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Geen twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen. De FML geeft een juist beeld geeft van appellants psychische beperkingen. Geen twijfel aan dat standpunt van de arbeidsdeskundigen. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht passend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
13-5594 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR.nl 2015-0041
  • SZR-Updates.nl 2015-0041
Uitspraak

13/5594 WIA



Datum uitspraak: 3 april 2015


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 augustus 2013, 13/614 WIA (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 10 juli 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij met ingang van 10 augustus 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 7 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Kort samengevat komen deze gronden op het volgende neer. In de aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is geen of onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische en lichamelijke toestand. Er wordt niet gesproken over de klachten die appellant na augustus 2012 erbij heeft gekregen. Hij lijdt aan rechtervoetklachten door jicht, knieklachten, rugklachten met uitstraling naar de benen, een te langzaam werkende schildklier en maagklachten. Door een ongeval in 1995 heeft appellant zijn rechteroog verloren, daarnaast heeft hij spanningshoofdpijn en psychische klachten (agressiviteitsproblematiek, depressie en slaapproblemen) aan het ongeval overgehouden. Dit is niet meegewogen in de besluitvorming die heeft geleid tot het bestreden besluit. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een huisartsjournaal en brieven van psychologen overgelegd. Appellant is voorts niet in staat de ter bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid door het Uwv geselecteerde functies te verrichten.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad acht de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen juist.


4.2.

Voor zover de gronden van appellant betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van deze besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in de rapporten van 1 november 2012, 5 februari 2013 en 15 augustus 2013. De rapporten bevatten een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die betrekking hebben op zowel appellants fysieke als psychische gezondheidstoestand. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen reden vormt om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen.


4.3.

Appellant beschikt volgens het Uwv over verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hij wordt echter in staat geacht om kniebesparend werk te doen waarin rekening wordt gehouden met een verminderde psychische draagkracht, waarbij bijvoorbeeld klantcontacten niet aan de orde zijn, het werk niet te complex is en geen deadlines of hoog tempo kent. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangepaste FML zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid opgenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden.


4.4.

Ter motivering van zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert niet juist is, heeft appellant geen onderbouwd medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. Uit de informatie van appellants behandelaars is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellants psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid op de datum in geding (10 augustus 2012). De Raad wijst daarbij op het rapport van 2 december 2013 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarin is uiteengezet dat de informatie van de psychologen en huisarts over appellants psychische klachten, jicht, knieklachten, rugklachten en oogklachten reeds bekend was en is meegewogen in de medische beoordeling en dat appellants huidige schildklierklachten niet zien op de datum in geding. Ter zitting is namens het Uwv nog toegelicht dat de toegenomen rugklachten, op basis waarvan aan appellant later alsnog een Wet WIA-uitkering is toegekend, niet zien op de datum in geding. Gelet op de voorhanden zijnde informatie, waaronder begrepen de gegevens opgenomen in het huisartsjournaal, heeft de Raad geen reden te twijfelen aan dit standpunt van het Uwv.


4.5.

Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook met juistheid verwezen naar de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 7 december 2012. In dat rapport wordt, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 10 juli 2012, inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies waarin de belasting in overeenstemming is met zijn verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen. Uit de door appellant verstrekte informatie van zijn behandelaars is niet af te leiden dat twijfel gerechtvaardigd is aan dat standpunt van de arbeidsdeskundigen.


4.6.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) J.R. van Ravenstein




KvR