Centrale Raad van Beroep, 07-01-2015 / 13-2365 AW-W


ECLI:NL:CRVB:2015:11

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoeken om uitstel zittingen. Wraking afgewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-07
Publicatiedatum
2015-01-13
Zaaknummer
13-2365 AW-W
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/42
Uitspraak

13/2365 AW-W

Datum uitspraak: 7 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. F. van der Kant-Dessens hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2013, 11/8447, in het geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Op 2 oktober 2014 heeft de Raad aan partijen kennisgevingen verzonden voor een op

13 november 2014 te houden zitting.

Bij brief van 17 oktober 2014 heeft mr. Van der Kant-Dessens de Raad verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. De Raad heeft dit verzoek bij brief van 20 oktober 2014 afgewezen.

Bij faxbericht van 10 november 2014 heeft mr. M. Taheri, als opvolgend gemachtigde van verzoeker, verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. Dit verzoek heeft de Raad bij faxbericht van 11 november 2014 afgewezen. Bij faxbericht van 11 november 2014 heeft

mr. Taheri het verzoek om uitstel herhaald. Bij faxbericht van 11 november 2014 heeft de Raad ook dit herhaalde verzoek afgewezen.

Tijdens het onderzoek ter zitting op 13 november 2014 heeft mr. Taheri namens verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechters, mrs. B.J. van de Griend, C.H. Bangma en M.T. Boerlage.

De behandelend rechters hebben schriftelijk meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten.

Verzoeker en de behandelend rechters zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting op 16 december 2014. Verzoeker heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Hij is daarbij bijgestaan door mr. Taheri. De behandelend rechters zijn, zoals was aangekondigd, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.


2. Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking van de behandelend rechters in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat de beslissing om de - uitvoerig gemotiveerde - verzoeken om uitstel van 10 en 11 november 2014 af te wijzen onbegrijpelijk is, gelet op wat in dit verband is bepaald in de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014 (Procesregeling). Verzoeker heeft verder naar voren gebracht dat mr. Taheri ter zitting op 13 november 2014 het uitstelverzoek heeft herhaald en (nogmaals) erop heeft gewezen dat hij van de stukken van de hogerberoepsprocedure alleen beschikte over het verweerschrift van het college en niet over de door de vorige gemachtigde ingezonden hogerberoepsgronden. Omdat de voorzitter van de behandelend kamer, nadat zij had meegedeeld dat er ook niets meer is aan hogerberoepsstukken dan het verweerschrift als reactie op het (aanvullend) hogerberoepschrift, dat door verzoeker zelf is opgesteld, een aanvang wilde maken met de inhoudelijke behandeling ter zitting, is bij verzoeker de indruk ontstaan dat wat hij - als

mr. Taheri van het volledige dossier kennis zou hebben - naar voren zou kunnen brengen niet meer van belang zou zijn en de behandelende rechters hun oordeel al hadden gevormd.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).


3.2.

Het al dan niet honoreren van een verzoek om een zitting uit te stellen, is een procedurele beslissing. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

21 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0580) is wraking niet bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen en kunnen deze beslissingen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als uit de procedurele beslissing blijkt van vooringenomenheid van de rechters die deze beslissing hebben genomen.


3.3.1.

Mr. Taheri heeft in het faxbericht van 10 november 2014 te kennen gegeven dat verzoeker zich tot hem heeft gewend vanwege een ernstige vertrouwensbreuk met zijn voormalige gemachtigde. Daarbij is vermeld dat verzoeker reeds de week ervoor aan zijn voormalige gemachtigde heeft verzocht het dossier over te dragen aan mr. Taheri, dat tot dusver slechts een deel is overgedragen en dat dit deel alleen de beroepsprocedure bij de rechtbank betreft. Verzocht is daarom om uitstel van de zitting.


3.3.2.

Van de zijde van de Raad is op basis van op 11 november 2014 gepleegd telefonisch overleg met mr. Taheri ervan uitgegaan dat mr. Taheri inmiddels wel over alle stukken beschikte. Bij faxbericht van 11 november 2014 is door de Raad aan mr. Taheri meegedeeld dat het uitstelverzoek in een zeer laat stadium is gedaan, zodat het in beginsel niet meer kan worden ingewilligd, en dat, nu hij over de stukken beschikt, er geen aanleiding is om hier een uitzondering op te maken.


3.3.3.

Mr. Taheri heeft de Raad bij faxbericht van 11 november 2014 meegedeeld dat hij nu over een zeer omvangrijk dossier beschikt dat wel de stukken van de bezwaar- en beroepsprocedure bevat, maar niet de in hoger beroep namens verzoeker ingediende stukken. Vermeld is dat het onmogelijk is om onder deze omstandigheden de belangen van verzoeker adequaat te behartigen. Daarom is opnieuw om uitstel van de zitting verzocht.


3.3.4.

Bij faxbericht van 11 november 2014 heeft de Raad aan mr. Taheri meegedeeld dat wat is aangevoerd geen aanleiding vormt om de zaak alsnog uit te stellen. Daarbij is in overweging gegeven om de eventueel ontbrekende aanvullende gronden van 5 juni 2013 bij verzoeker op te vragen. Verder is vermeld dat als het onderzoek niet volledig blijkt te zijn, de Raad het onderzoek zal heropenen.


3.3.5.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting op 13 november 2014 heeft mr. Taheri aan de Raad te kennen gegeven (nog steeds) niet te beschikken over het aanvullend hogerberoepschrift en bovendien nog niet op de hoogte te zijn van de communicatie tussen de voormalige gemachtigde en verzoeker. De voorzitter van de behandelende kamer heeft aan mr. Taheri meegedeeld dat hij aan het einde van de behandeling van de zaak ter zitting de gelegenheid zal krijgen om aan te voeren wat er nog onvoldoende over het voetlicht is gekomen. Daaraan is toegevoegd dat over het nieuwe verzoek om uitstel na de zitting in raadkamer een beslissing zal worden genomen en dat daarbij aan de orde zal komen of het nodig is om de zaak aan te houden voor nader onderzoek en eventueel nog een keer ter zitting te behandelen.


3.3.6.

Blijkens het proces-verbaal heeft de voorzitter van de behandelende kamer ook een toelichting gegeven op de wijze waarop de Raad met verzoeken om uitstel van een zitting omgaat. Aan mr. Taheri is voorgehouden dat een verzoek dat binnen ongeveer een week na de uitnodiging voor de zitting wordt gedaan zonder redengeving wordt gehonoreerd; wordt later om uitstel verzocht, dan moet een goede reden worden aangevoerd. De reden voor dit onderscheid is gelegen in het feit dat bij het honoreren van een uitstelverzoek dat kort na de uitnodiging is gedaan de geplande tijd en capaciteit kan worden besteed aan een zaak die in de plaats van de uitgestelde zaak wordt geagendeerd; bij een uitstelverzoek kort voor de zitting is benutting van vrijgemaakte tijd en capaciteit niet meer mogelijk.


3.4.1.

In aanmerking genomen de onder 3.1 en 3.2 weergegeven toetsingsmaatstaf levert de beslissing om geen uitstel van de zitting te verlenen als zodanig geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat daaruit blijkt van vooringenomenheid van de behandelend rechters dan wel dat de daarover bij verzoeker bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.


3.4.2.

De wrakingskamer volgt verzoeker niet in zijn opvatting dat vooringenomenheid van de behandelende rechters blijkt uit de uitleg die de voorzitter van de behandelende kamer heeft gegeven over het beleid van de Raad om een uitstelverzoek al dan niet te honoreren. Deze uitleg is - voor zover van belang in het geval van verzoeker, die alle uitstelverzoeken later dan een week na verzending van de kennisgevingen heeft gedaan - niet in strijd met artikel 19, tweede en derde lid, van de Procesregeling. Uit wat mr. Taheri daarover heeft uiteengezet, leidt de wrakingskamer af dat het verzoek om uitstel is gedaan zo spoedig mogelijk nadat hij de opdracht had aanvaard om als rechtshulpverlener verzoeker bij te staan in de bij de Raad lopende procedure. Onjuist is de opvatting van verzoeker dat een in de zin van artikel 19, tweede lid, van de Procesregeling tijdig gedaan verzoek altijd moet worden ingewilligd. Op grond van artikel 19, tweede lid, in samenhang met artikel 19, derde lid, van de Procesregeling staat bij de beslissing van de behandelend rechters op een uitstelverzoek ter beoordeling of de voor uitstel van de zitting aangevoerde redenen als gewichtige redenen zijn aan te merken en of een afweging van belangen aan honorering van het verzoek in de weg staat.


3.4.3.

De wrakingskamer hecht eraan op te merken dat een andere aanloop naar een inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting mogelijk en wenselijk was geweest. De behandelend rechters hadden op betrekkelijk eenvoudige wijze mr. Taheri in het bezit kunnen stellen van het processtuk dat hij naar zijn zeggen nodig had om ter zitting de belangen van verzoeker adequaat te kunnen behartigen. Dit processtuk, te weten het door de vorige gemachtigde aan de Raad gezonden aanvullend hogerberoepschrift, had per fax aan

mr. Taheri kunnen worden toegezonden, nadat met de ontvangst van het faxbericht van

mr. Taheri van 11 november 2014 was gebleken dat - anders dan eerder werd

verondersteld - hij over dat stuk nog steeds niet beschikte. Toen mr. Taheri ter zitting op

13 november 2014 opnieuw te kennen gaf dat het aanvullend hogerberoepschrift aan zijn dossier ontbrak, was een korte schorsing van de zitting en een leespauze voor mr. Taheri, naar mag worden aangenomen, al voldoende geweest om zijn kennisachterstand weg te nemen, voor zover het de in hoger beroep door partijen gewisselde argumenten betrof.


3.4.4.

Wat hiervoor is overwogen leidt de wrakingskamer evenwel niet tot het oordeel dat de (herhaalde) beslissing van de behandelend rechters om de zaak van verzoeker inhoudelijk te behandelen - en dus om pas na een bespreking van de zaak en gehoord de standpunten van partijen te bepalen of heropening van het onderzoek is aangewezen - zodanig onbegrijpelijk is dat daaruit moet worden afgeleid dat deze door vooringenomenheid van de behandelend rechters is ingegeven. In dat verband is van belang dat zowel in de twee faxberichten van de Raad van 11 november 2014 als ter zitting op 13 november 2014 nadrukkelijk erop is gewezen dat het afwijzen van de uitstelverzoeken niet eraan in de weg staat om het onderzoek te heropenen als het niet volledig blijkt te zijn geweest. Verder is van belang dat het bepalen van het zittingsverloop, de voortgang van de zitting en de orde in de zittingszaal tot de taakuitoefening van de rechter behoort, in dit geval in het bijzonder de voorzitter van de behandelende kamer. In het enkele feit dat de voorzitter van de behandelende kamer, na de door haar gegeven uitleg over de beslissingen op de voorafgaande aan de zitting door verzoeker gedane uitstelverzoeken, een aanvang wilde maken met de inhoudelijke bespreking van de zaak, is geen aanwijzing van vooringenomenheid van de behandelende rechters gelegen.


3.4.5.

De wrakingskamer heeft vastgesteld dat mr. Taheri in zijn faxbericht van

12 december 2014 aan de wrakingskamer, waarin hij een uitvoerige toelichting heeft gegeven op zijn wrakingsverzoek, en ter gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting, meer uitvoerig is ingegaan op de tussen verzoeker en zijn vorige gemachtigde ontstane conflictsituatie en op de problemen die zijn ontstaan met de overdracht van het dossier. Niet is uit te sluiten dat de behandelend rechters anders over de wijze van behandeling van de zaak van verzoeker zouden hebben besloten, indien zij op de zitting van 13 november 2014 met deze feiten en omstandigheden bekend waren geraakt. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek is evenwel slechts van belang de feiten en omstandigheden zoals die bekend waren op het moment waarop het verzoek is gedaan.


3.4.6.

Uit de omstandigheid dat mr. Taheri, op het moment waarop de voorzitter van de behandelende kamer wilde aanvangen met de inhoudelijke behandeling van de zaak, te horen had gekregen dat de standpunten van partijen waren neergelegd in het door verzoeker zelf opgestelde geschrift, dat door de vorige gemachtigde als aanvullend hogerberoepschrift aan de Raad was toegezonden, en dat van andere in hoger beroep gewisselde stukken dan het verweerschrift geen sprake was, kan evenmin worden afgeleid dat sprake was van (objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid van de rechters. Er is geen grond voor het oordeel dat in de desbetreffende mededeling een waardeoordeel over het aanvullend hogerberoepschrift besloten ligt. Verzoeker heeft wel gesteld dat hij de indruk had gekregen dat het er niet meer toe zou doen wat hij ter zitting over de zaak nog naar voren zou brengen, maar hij heeft deze stelling niet met concrete feiten en omstandigheden kunnen onderbouwen. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 13 november 2014 hebben de behandelende rechters voorafgaand aan het wrakingsverzoek met geen enkel woord gerept over het in hoger beroep voorliggende geschil.


3.4.7.

Ook overigens zijn uit het verloop van de zitting van 13 november 2014, blijkens wat verzoeker en mr. Taheri daarover tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting hebben meegedeeld, geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de onpartijdigheid van de behandelend rechters moet worden getwijfeld.


3.5.

Op grond van 3.1 tot en met 3.4.7 is de conclusie dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van de behandelend rechters af.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en W.H. Bel en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) D. van Wijk




GdJ