Centrale Raad van Beroep, 09-04-2015 / 13-2594 MAW


ECLI:NL:CRVB:2015:1139

Inhoudsindicatie
Appellant heeft de minister aansprakelijk gesteld voor de gevolgen voortvloeiend uit de bij hem bestaande posttraumatische stressstoornis mogelijk verband houdend met de uitzending naar Srebrenica. De verjaringstermijn is niet verstreken. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid van aansprakelijkstelling is verjaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-09
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
13-2594 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/2594 MAW

Datum uitspraak: 9 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

17 april 2013, 08/3831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.P. van Zandbergen.

OVERWEGINGEN


1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.


2. Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


2.1.

Appellant is als soldaat eerste klasse in de periode van december 1994 tot en met

juni 1995 uitgezonden naar Srebrenica.


2.2.

Bij brief van 12 februari 2007 heeft appellant de minister aansprakelijk gesteld voor (de gevolgen van) de bij hem bestaande posttraumatische stressstoornis (PTSS). Daarbij heeft hij vooral gewezen op het gebrek aan nazorg en begeleiding na zijn vertrek uit Srebrenica.


2.3.

Bij primair besluit van 26 april 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

16 april 2008 (bestreden besluit), heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen op de grond dat de aansprakelijkstelling op 12 februari 2007, gelet op het bepaalde in artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), is verjaard. De minister heeft hierbij verwezen naar het feit dat appellant, na een doorverwijzing in verband met problematiek die duidelijk aan zijn uitzending naar Srebrenica gerelateerd was, op 30 maart 2000 is opgenomen op de afdeling Militaire Psychiatrie van het Centraal Militair Hospitaal (CMH) te Utrecht. In die tijd werd appellant gediagnostiseerd met een PTSS. Dit betekent dat het voor appellant in ieder geval vanaf maart 2000 duidelijk was dat zijn klachten in relatie stonden tot zijn uitzending naar Srebrenica. Hieruit volgt dat er meer dan vijf jaren zijn verstreken tussen de aansprakelijkstelling en het bekend worden met de schade en de mogelijke aansprakelijke partij, zodat de vordering is verjaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en aan appellant een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aansprakelijkstelling van appellant op

12 februari 2007 was verjaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de minister een inconsistent beleid voert ten aanzien van het inroepen van de verjaring. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat nu appellant zijn vordering op 12 februari 2007 heeft ingediend, moet worden geoordeeld of hij voor

12 februari 2002 in de gelegenheid was om de minister aansprakelijk te stellen voor zijn geleden schade. In maart 2000 is bij appellant een PTSS vastgesteld en in relatie gebracht met zijn uitzending naar Srebrenica. Er bestond derhalve geen twijfel over de mogelijke oorzaak van het letsel. Of achteraf geoordeeld in de jaren negentig van de vorige eeuw de kwaliteit van de nazorg te wensen overliet kan, anders dan appellant heeft betoogd, in dit geval niet van doorslaggevende betekenis zijn bij het bepalen van het aanvangstijdstip van de verjaring. De rechtbank passeert voorts de stelling van appellant dat hij als gevolg van zijn psychische klachten niet in staat is geweest tijdig de minister aansprakelijk te stellen. De rechtbank volgt evenmin het standpunt van appellant dat de dienstfunctionarissen in het CMH hem hadden moeten attenderen op de mogelijkheid om de minister aansprakelijk te stellen voor de door hem geleden schade. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd uitsluitend om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wegens te lange behandelingsduur in bezwaar toe te kennen.


4. Appellant heeft in hoger beroep in hoofdlijnen dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Samengevat komen deze gronden erop neer dat de aansprakelijkstelling niet is verjaard. Voor zover dit wel het geval is, kan de minister zich in redelijkheid niet beroepen op de verjaring.


5. De Raad komt tot het volgende oordeel.


5.1.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of de (mogelijke) vordering tot schadevergoeding ten tijde van de aansprakelijkstelling op 12 februari 2007 was verjaard. Voor het antwoord op die vraag is van belang op welk moment de verjaring is aangevangen.


5.2.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675) zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. Zowel bij aanspraken die gebaseerd zijn op een rechtspositioneel voorschrift als in geval van een aansprakelijkstelling voor geleden schade legt de Raad de aanvang van deze verjaringstermijn bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de desbetreffende rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie had kunnen komen.


5.3.

De Raad ziet aanleiding om bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had kunnen komen uit oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. In dit geval gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van het BW dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad.


5.4.

Ingevolge artikel 3:310, eerste lid, van het BW, voor zover hier van belang, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op de datum waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon of instantie bekend is geworden. Dit is de zogenaamde korte verjaringstermijn.


5.5.

Tussen partijen is niet in geding dat appellant, in ieder geval, in maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met (de oorzaak van) zijn schade. Bij appellant is toen een PTSS vastgesteld die een duidelijk verband heeft met zijn uitzending naar Srebrenica.

5.6.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de korte verjaringstermijn in ieder geval niet voor maart 2006 is aangevangen, zodat de aansprakelijkstelling op 12 februari 2007 niet was verjaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de wetenschap dat de door hem opgelopen schade verband houdt met zijn uitzending naar Srebrenica op zichzelf niet doorslaggevend is. Hij acht tevens van belang dat hij pas later voldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade (mede) is veroorzaakt door een aan de minister toe te schrijven fout. Appellant heeft gesteld dat hij pas door kennisneming van de brief van de Staatssecretaris van Defensie van

30 maart 2006 aan de Tweede Kamer, waarin uitleg is gegeven over het zogenaamde nazorgbeleid, bekend is geworden met de mogelijk niet adequate nazorg door de minister. Dit was het moment dat hem voor het eerst bekend werd dat zijn schade wellicht (mede) is veroorzaakt door een mogelijke schending van de zorgplicht door de minister.


5.7.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu appellant in ieder geval in

maart 2000 bekend was met de schade en de oorzaak daarvan, de korte verjaringstermijn op dat moment is aangevangen. Appellant had op dat moment in actie kunnen komen om een verzoek tot aansprakelijkstelling in te dienen bij de minister. Op 12 februari 2007 was deze verjaringstermijn daarom verstreken, zodat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vermeende vordering is verjaard.


5.8.

Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 oktober 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112), staat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310, eerste lid, van het BW niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, moet aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. De korte verjaringstermijn begint, gelet op de strekking van deze bepaling, pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. Deze verjaringstermijn vangt aan, zodra de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen.


5.9.

In lijn met de onder 5.8 genoemde uitspraak is de Raad van oordeel dat appellant uit de omstandigheid dat de bij hem vastgestelde PTSS verband houdt met zijn uitzending naar Srebrenica, niet zonder meer kon afleiden dat deze schade wellicht (mede) was veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de minister. De PTSS had bijvoorbeeld ook kunnen voortvloeien uit de door hem opgedane ervaringen in Srebrenica in combinatie met in zijn persoon gelegen factoren. In ogenschouw genomen wat appellant heeft aangevoerd, gaat de Raad ervan uit dat appellant eerst door kennisneming van de inhoud van de onder 5.6 genoemde brief van de Staatssecretaris van Defensie van 30 maart 2006 bekend is geworden met de omstandigheid dat de schade mogelijk (mede) is veroorzaakt door een tekortschietend of foutief handelen van de minister. Tot dat moment was er voor appellant geen voldoende zekerheid in de zin van de onder 5.8 genoemde uitspraak, dat de bij hem vastgestelde PTSS wellicht (mede) is veroorzaakt door een mogelijke schending van de zorgplicht door de minister.


5.10.

Uit 5.1 tot en met 5.9 volgt dat de korte verjaringstermijn in ieder geval niet is aangevangen voor 30 maart 2006. Dit betekent dat de verjaringstermijn op 12 februari 2007 niet was verstreken. De minister heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijke vordering is verjaard. Het hoger beroep slaagt.


5.11.

De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. De overige beroepsgronden kunnen buiten bespreking blijven. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de minister een nader onderzoek moet instellen naar de aansprakelijkheid en hierover een beslissing op bezwaar moet nemen. Nu de minister zich nog niet heeft uitgelaten over de aansprakelijkheid, ziet de Raad geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. Met het oog op een voortvarende afwikkeling acht de Raad het geraden om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen dit nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.


6. De Raad ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 980,- aan kosten voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van

16 april 2008 in stand zijn gelaten;

- draagt de minister op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden

ingesteld;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 239,-

vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en

W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.A.W. Zijlstra






MK