Centrale Raad van Beroep, 09-04-2015 / 13-5832 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1142

Inhoudsindicatie
Disciplinair ontslag. Ernstig plichtsverzuim in de vorm van tijdfraude. Appellante heeft administratieve fouten gemaakt, waarbij geldt dat de werkgever het geleden nadeel had mogen compenseren, maar deze fouten rechtvaardigen niet de conclusie van strafwaardig plichtsverzuim. Vernietiging bestreden besluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-09
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
13-5832 AW
Procedure
Hoger beroep

Formele relatie


Vindplaatsen
Uitspraak

13/5832 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 september 2013, 12/1145 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (college)

Datum uitspraak: 9 april 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.J. de Jong-Koops hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Wijers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.C.J. van den Brekel, advocaat, C.N. Heijstek en R.W.J. Melissant.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was werkzaam als [naam functie] bij de gemeente Dordrecht. Op

28 november 2011 heeft haar collega S, in vervolg op een op 25 november 2011 gevoerd gesprek, schriftelijk gemeld dat hij appellante op enig moment in week 40 van dat jaar had horen zeggen dat zij op zaterdag 8 oktober 2011 dienst had, niet van plan was op die dag te komen, maar wel de uren van die dag zou schrijven. Van twee andere collega’s, aldus verder de brief, had S vernomen dat dit soort zaken vaker aan de orde is bij [naam afdeling].


1.2.

Naar aanleiding van de genoemde brief heeft het college oriënterend onderzoek verricht. Vervolgens heeft het college Hoffmann Bedrijfsrecherche BV (Hoffmann) opdracht gegeven te onderzoeken of er binnen de afdeling [naam afdeling] sprake is van tijdfraude, en zo ja, wie daarbij betrokken zijn en wat de aard en omvang van de fraude is. Op 20 februari 2012 heeft Hoffmann rapport uitgebracht.


1.3.

Na op 24 februari 2012 het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellante de gelegenheid te hebben geboden daarop te reageren, heeft het college appellante bij besluit van 8 mei 2012, met onmiddellijke ingang, de straf van ontslag opgelegd. Het disciplinair ontslag berust op de volgende conclusies van Hoffmann, die volgens het college feiten en gedragingen behelzen die als ernstig plichtsverzuim zijn te beschouwen:

- in ieder geval op zaterdag 8 oktober 2011, dinsdag 9 augustus 2011 en vrijdag

21 januari 2011 heeft appellante niet gewerkt, maar wel acht uren geschreven als arbeidstijd. Dit merkt Hoffmann aan als tijdfraude.

- Ten aanzien van zaterdag 8 oktober 2011 heeft appellante verklaard dat zij dit op deze manier heeft gedaan omdat zij niet meer dan 23 zaterdagen per jaar mag werken. Zij heeft hiermee haar werkgever benadeeld vanwege de toeslag die zij krijgt als zij op een zaterdag uren heeft geschreven maar feitelijk niet heeft gewerkt.

- In circa 50 avonddiensten heeft appellante 39 keer het gebouw voor het einde van haar diensttijd afgesloten. Een gevolg van dit handelen is dat de collega’s van appellante, die eveneens avonddiensten hadden, ook het gebouw moesten verlaten. Los van het aantal minder door appellante gewerkte uren, is hier ook sprake van een aanzienlijk aantal minder gewerkte uren van de overige medewerkers die hun diensten eerder hebben moeten beëindigen.


1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 8 mei 2012 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

21 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, dit bezwaar ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Uit de overname bij het bestreden besluit van het advies van de Bezwarencommissie bezwaarschriften gemeentepersoneel heeft de rechtbank opgemaakt dat, naast de onder 1.3 genoemde gedragingen, ook het twee keer te laat verschijnen voor een vroege dienst en het niet op het werk verschijnen na een cursus op 20 december 2011 aan het ontslag ten grondslag liggen. Namens het college is de bedoeling daartoe in hoger beroep bevestigd. Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat de bedoelde gedragingen buiten beschouwing moeten blijven. Deze gedragingen zijn in het ontslagvoornemen van 24 februari 2012 niet genoemd. Appellante is in haar zienswijze naar aanleiding van dat voornemen uitvoerig en puntsgewijs ingegaan op de rapportage van Hoffmann en heeft daarbij, uit eigen beweging, ook enkele opmerkingen gemaakt over het vermeende te laat komen en over de cursusdag. Dat heeft weliswaar geleid tot een korte reactie van het college aan het slot van de bespreking van de zienswijze van appellante die in het acht pagina’s tellende ontslagbesluit is opgenomen, maar van een aanpassing van de op de eerste bladzijde van dat besluit opgenomen omschrijving van het aan appellante verweten plichtsverzuim, zoals weergegeven onder 1.3, is daarbij geen sprake geweest. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5367 en TAR 2005, 20) is het niet toegestaan om de in een ontslagbesluit neergelegde tenlastelegging nadien nog bij een beslissing op bezwaar uit te breiden. Het overnemen door het college van het advies van de commissie kan er dus niet toe leiden dat voor de hier bedoelde gedragingen alsnog een rol is weggelegd in het kader van het ontslag van appellante. De Raad volgt niet het standpunt van het college dat de integrale rapportage van Hoffmann als tenlastelegging in de zojuist bedoelde zin valt te beschouwen, waaruit gedurende de bezwaar- en beroepsprocedure naar believen zou mogen worden geput ter nadere onderbouwing van het ontslag. Het ontslag van appellante moet dus worden geacht te zijn gebaseerd op, enkel, de gedragingen, weergegeven onder 1.3.


3.2.

Appellante heeft de onder 1.3 aangeduide feiten op zichzelf beschouwd niet weersproken. Wat betreft 9 augustus 2011 en 21 januari 2011 volgt de Raad appellante in haar standpunt dat van plichtsverzuim niet kan worden gesproken. Appellante heeft verklaard dat zij op

9 augustus 2011 verlof had en dat het voor die dag schrijven van acht uren een vergissing is geweest. Zij heeft een aantal e-mailberichten overgelegd die bevestigen dat zij op

9 augustus 2011 verlof heeft opgenomen. De grote mate van openheid die zij daarbij heeft betracht wijst niet in de richting van het welbewust hebben willen plegen van tijdfraude. Daarvan is evenmin gebleken op het punt van het schrijven van acht uren voor

21 januari 2011. Naar door het college niet is weersproken, heeft appellante op

20 januari 2011 immers gewerkt zonder voor die dag uren te schrijven, hetgeen haar verklaring dat zij zich in de datum heeft vergist, bevestigt. Op deze punten heeft appellante administratieve fouten gemaakt, waarbij geldt dat de werkgever het ten aanzien van

9 augustus 2011 geleden nadeel had mogen compenseren, maar deze fouten rechtvaardigen niet de conclusie van strafwaardig plichtsverzuim.


3.3.

Die conclusie is wel op zijn plaats wat betreft het handelen van appellante rondom en op 8 oktober 2011. Appellante is die dag immers weggebleven van haar werk en heeft dat wegblijven willens en wetens niet correct verantwoord. Ook het meermaals voor het einde van de diensttijd van 23.30 uur afsluiten van het gebouw valt appellante als plichtsverzuim aan te rekenen, te meer gelet op haar leidinggevende positie, alsmede op het feit dat tijdens overleg op onder meer 2 maart 2010 het belang van benutting van de gehele diensttijd was benadrukt.

3.4.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het plichtsverzuim zoals genoemd onder 3.3 het strafontslag zelfstandig kan dragen. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Met betrekking tot 8 oktober 2011 is in dit verband van belang dat appellante haar collega G heeft gevraagd om op die dag zijn dienst eerder te beginnen, dat zij zich er, naar zij ter zitting van de Raad heeft benadrukt, bovendien van heeft vergewist dat op de bewuste dag een tweede teamleider aanwezig was en dat zij ten slotte op dinsdag 4 oktober 2011 heeft gewerkt zonder tijd te schrijven. Ook in zoverre heeft appellante, zoals blijkt uit onder meer de onder 1.1 genoemde brief van S, in alle openheid gehandeld. Als gezegd moet op dit punt wel van plichtsverzuim worden gesproken, maar als moedwillig gepleegde tijdfraude, met (financieel) gewin als oogmerk, valt het handelen van appellante ook in zoverre niet te karakteriseren. Het, overigens geringe, financiële nadeel dat de werkgever, gelet op het eerder ingaan van de onregelmatigheidstoeslag op de zaterdag dan op de dinsdag, op het hier bedoelde punt heeft geleden, kan dat niet anders maken. Wat betreft het herhaaldelijk eerder afsluiten van de gebouwen is van belang dat de werkgever weliswaar meermaals aandacht heeft gevraagd voor het belang van een volledige benutting van de diensttijden, maar dat de nadruk hierbij lag op de tijd die op straat werd doorgebracht, welke tot minimaal 23.00 uur diende te duren. Namens het college is niet gesteld dat appellante zich aan dit laatste niet heeft gehouden. Evenmin is namens het college gesteld dat appellante en haar medewerkers de administratieve taken die waren bestemd voor het laatste half uur van de dag, op enige dag of dagen niet hebben vervuld of voltooid. Voor zover deze administratieve taken vanaf een zeker moment minder tijd vergden, heeft dat niet geleid tot aanpassing van de minimale eindtijd van

23.00

uur. Van belang in dit verband is ten slotte dat, hoe zeer ook de diensttijden in algemene zin voorwerp van aandacht zijn geweest, appellante voorafgaand aan haar ontslag nimmer persoonlijk op het te vroeg beëindigen van haar diensten is aangesproken.


3.5.

In aanmerking genomen al hetgeen is overwogen onder 3.4, moet worden geconcludeerd dat de straf van ontslag onevenredig is te achten aan het nog resterende plichtsverzuim zoals omschreven onder 3.3. Voor de kennelijk vanaf een zeker moment aan de zijde van het college gevoelde noodzaak om een mentaliteitsverandering aan de zijde van de teamleiders teweeg te brengen, kan op zichzelf beschouwd begrip worden opgebracht. Dat neemt niet weg dat het onderzoek van Hoffmann, dat kennelijk is voortgevloeid uit het, ondanks de daartoe geleverde inspanning, onvoldoende gestalte krijgen van de gewenste verandering, wat betreft appellante niet een dusdanige mate van plichtsverzuim aan het licht heeft gebracht dat een onvoorwaardelijk strafontslag daardoor wordt gerechtvaardigd.


3.6.

Het college was dus niet bevoegd tot het ontslag. Het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Het bestreden besluit komt, voor zover dit op het ontslag betrekking heeft, eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college zal zich, met inachtneming van het overwogene in deze uitspraak, moeten buigen over een in een nieuwe beslissing op bezwaar vorm te geven lichtere straf. Met het oog op een voortvarende afwikkeling acht de Raad het geraden om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen dit nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.


4. Het voorgaande geeft aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar tot een bedrag van € 980,-, in beroep tot een bedrag van € 980,- en in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 980,-, alles voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - vernietigt het bestreden besluit van 21 augustus 2012 voor zover dit betrekking heeft op het ontslag;
  • - draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het ontslagbesluit van

8 mei 2012 te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • - bepaalt dat beroep tegen dat besluit slechts mogelijk is bij de Raad;
  • - veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 2.940,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van in totaal € 395,-.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) M.S. Boomhouwer





MK