Centrale Raad van Beroep, 10-04-2015 / 13-1178 ANW


ECLI:NL:CRVB:2015:1154

Inhoudsindicatie
Vaststelling datum van beëindiging uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-10
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
13-1178 ANW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1178 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

24 januari 2013, 12/60 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 10 april 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J.H.M. Achten hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Appellante is daarbij in persoon verschenen bijgestaan door mr. Achten. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Svb heeft na het overlijden van de echtgenoot van appellante op 17 oktober 2009 aan haar met ingang van oktober 2009 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend. Daarbij is de Svb er, op grond van een advies van ClientFirst van 25 januari 2010, vanuit gegaan dat appellante voor meer dan 45% arbeidsongeschikt was. In dit advies van ClientFirst wordt geadviseerd appellante voorlopig arbeidsongeschikt te achten in de zin van de ANW en om in januari 2011 een heronderzoek te laten verrichten.


1.2.

In februari 2011 is appellante op verzoek van de Svb herbeoordeeld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Na onderzoeken door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv op 17 februari 2011 geadviseerd appellante voor minder dan 45% arbeidsongeschikt te beschouwen.


1.3.

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft de Svb de aan appellante toegekende nabestaandenuitkering per 1 april 2011 ingetrokken.


1.4.

Naar aanleiding van het namens appellante tegen het besluit van 22 maart 2011 gemaakte bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv twee rapportages uitgebracht.


1.5.

Bij besluit van 29 november 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 maart 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. De Svb heeft de ingangsdatum van de intrekking van de nabestaandenuitkering nader vastgesteld op

1 oktober 2011. Voorts is overwogen dat de Svb geen aanleiding heeft gevonden de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante.


2. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voor zover betrekking hebbend op de datum van de beëindiging van de nabestaandenuitkering en heeft - zelf in de zaak voorziend - de datum van beëindiging van die uitkering vastgesteld op 1 juli 2012. Daartoe is overwogen dat een nieuwe uitlooptermijn in acht genomen dient te worden, nu er in beroep andere functies zijn geduid. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellante.


3. Namens appellante is in hoger beroep allereerst aangevoerd dat zij ook op en na 1 juli 2012 arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 14, eerste lid, onder b, van de ANW. Appellante is van mening dat de medisch- en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende is en ter ondersteuning van die stelling is verwezen naar een rapport van de bedrijfs- en verzekeringsarts J.P. Voogd van 20 mei 2013. Uit dit rapport blijkt dat voor appellante aanzienlijk meer beperkingen gelden dan de verzekeringsartsen van het Uwv hebben aangenomen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop moet worden gesteld dat appellante de aangevallen uitspraak alleen heeft aangevochten voor zover daarbij de datum van beëindiging van de nabestaandenuitkering nader is vastgesteld op 1 juli 2012. Dit betekent dat het geschil tussen partijen zich toespitst op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante vanaf 1 juli 2012 geen recht heeft op een nabestaandenuitkering in de zin van de ANW, omdat zij toen niet langer voor tenminste 45% arbeidsongeschikt was.


4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde en wiens arbeidsongeschiktheid na die dag ten minste drie maanden voortduurt recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Dit artikel luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”.


4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent. Voorts dienen bij de toepassing van artikel 11 van de ANW doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.


4.4.

Er is geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Terecht is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in voldoende mate rekening heeft gehouden met de voor appellante geldende beperkingen. Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. De bedrijfs- en verzekeringsarts Voogd is in het in hoger beroep overgelegde rapport van 20 mei 2013 weliswaar tot de conclusie gekomen dat meer beperkingen voor appellante gelden, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze conclusie gemotiveerd bestreden. Daarbij is terecht aangevoerd dat uit het rapport van Voogd geen nieuwe medische feiten blijken en dat niet duidelijk is wat naar objectieve medische maatstaven is vastgesteld tijdens het onderzoek van Voogd. Voorts is van belang dat in het rapport van Voogd diverse klachten van appellante worden genoemd die al bekend waren bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en die zijn betrokken bij het vaststellen van de FML. Geconcludeerd moet derhalve worden dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische grondslag.


4.5.

Op grond van de FML zoals die nader is vastgesteld op 20 april 2012 moet appellante in staat worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen.


4.6.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) B. Fotchind





NK