Centrale Raad van Beroep, 01-04-2015 / 12-6806 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:1174

Inhoudsindicatie
Door de als zelfstandige in [naam kledingzaak] verrichte werkzaamheden heeft appellant de hoedanigheid van werknemer verloren. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat niet is gebleken dat appellant het Uwv op de hoogte heeft gesteld van de uitbreiding van zijn werkzaamheden in [naam kledingzaak]. Daarmee staat vast dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het Uwv was dan ook gehouden de WW-uitkering van appellant te herzien en later in te trekken. Het Uwv heeft in hoger beroep het (gewijzigde) standpunt ingenomen dat appellant, na de verkoop van [naam kledingzaak], de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen voor 23 uur per week. Verder stelt het Uwv zich op het standpunt dat het recht op WW-uitkering later weer is geëindigd op grond van, meer subsidiair, het feit dat appellant vanaf die datum buiten Nederland verblijf hield anders dan wegens vakantie. Dit standpunt van het Uwv wordt onderschreven. Met het in hoger beroep gewijzigde standpunt over de herleving van de WW-uitkering heeft het Uwv het bestreden besluit niet gehandhaafd. De Raad voorziet zelf: de WW-uitkering van appellant wordt per 4 februari 2008 herzien voor zeventien uur per week. De WW-uitkering van appellant wordt per 26 mei 2008 ingetrokken. De WW-uitkering van appellant herleeft van 27 oktober 2008 tot en met 2 november 2008 voor 23 uur per week. De WW-uitkering wordt per 3 november 2008 ingetrokken. Het terug te vorderen bedrag wordt vastgesteld op € 97.151,97 bruto. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
12-6806 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6806 WW

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

14 november 2012, 12/2417 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuhn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. F.A. Steeman.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord, waarop mr. Kuhn namens appellant heeft gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 februari 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies van 40 uur per week.


1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant over het belastingjaar 2008 zelfstandigenaftrek zou hebben genoten, heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WW-uitkering. In het kader van dit onderzoek is appellant op 9 juni 2011 gehoord door inspecteur R. Dankmeijer van het Uwv. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het Inspectierapport zelfstandigenaftrek van 4 juli 2011.


1.3.

Op basis van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 juli 2011 de uitkering van appellant herzien en ingetrokken en hetgeen in dat verband onverschuldigd was betaald over de periode van 4 februari 2008 tot en met 4 maart 2011, een bedrag van € 97.514,01 teruggevorderd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.


1.4.

Bij besluit van 11 april 2012 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. De WW-uitkering van appellant per 4 februari 2008 heeft het Uwv herzien op de grond dat hij vanaf die dag 24 uur per week als zelfstandige werkzaam was in de samen met zijn toenmalige echtgenote geëxploiteerde kledingzaak [naam kledingzaak], en per 26 mei 2008 ingetrokken op de grond dat hij vanaf die dag 66 uur per week als zelfstandige werkzaam was in [naam kledingzaak]. Bij de berekening van de terugvordering heeft het Uwv rekening gehouden met een zogenoemde vrijlating van zeven uur per week in verband met werkzaamheden die appellant als zelfstandige verrichtte in [naam kledingzaak] voordat hij werkloos werd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan appellant worden gehouden aan zijn tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring over de omvang van zijn werkzaamheden in [naam kledingzaak]. Nu appellant de omvang van deze werkzaamheden niet heeft gemeld bij het Uwv heeft hij zijn inlichtingenverplichting geschonden. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht geoordeeld dat appellant per 4 februari 2008 deels, en per 26 mei 2008 volledig, zijn hoedanigheid van werknemer heeft verloren. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de hoedanigheid van werknemer nadien niet heeft herkregen, omdat de werkzaamheden in [naam kledingzaak] (dat is verkocht op 23 oktober 2008) niet zijn beëindigd binnen een half jaar na aanvang van de (eerste) uitbreiding van zijn werkzaamheden per 4 februari 2008 zoals bedoeld in artikel 8 van de WW. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat niet is gebleken van onaanvaardbare financiële dan wel sociale consequenties op grond waarvan het Uwv van terugvordering af had moeten zien.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de door hem tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring, omdat de sociaal rechercheur bewust een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven met het doel de gewenste verklaring te verkrijgen. Appellant heeft gesteld dat de werkzaamheden in [naam kledingzaak] van 4 februari 2008 tot 26 mei 2008 voornamelijk door zijn toenmalige echtgenote werden verricht, en dat hij vanaf 26 mei 2008 slechts werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de verkoop van [naam kledingzaak]. Als appellant de hoedanigheid van werknemer al heeft verloren, dan is dat op 26 mei 2008 geweest. Nu [naam kledingzaak] is verkocht op 23 oktober 2008, heeft hij zijn hoedanigheid van werknemer op die datum herkregen. Appellant heeft voorts betwist dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Tot slot heeft appellant ten aanzien van de terugvordering een beroep op de zogenoemde zes-maanden jurisprudentie gedaan en betoogd dat de terugvordering netto in plaats van bruto dient plaats te vinden, en dat sprake is van een dringende reden om af te zien van terugvordering omdat sprake is van onaanvaardbare sociale en financiële consequenties.


3.2.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep een gewijzigd standpunt ingenomen met betrekking tot het WW-recht van appellant. Dit houdt in dat appellant, na de verkoop van [naam kledingzaak] op 23 oktober 2008, de hoedanigheid van werknemer per 27 oktober 2008 heeft herkregen voor 23 uur per week. Volgens het Uwv is het WW-recht per 3 november 2008 weer geëindigd, primair op de grond dat appellant vanaf die datum buiten Nederland woonde of verblijf hield anders dan wegens vakantie, en subsidiair op de grond dat appellant vanaf 3 november 2008 in Suriname twaalf uur per dag werkzaam was als zelfstandige. Het Uwv heeft aldus vastgesteld dat appellant alsnog recht had op een WW-uitkering van 27 oktober 2008 tot en met 2 november 2008 voor 23 uur per week, en heeft het terug te vorderen bedrag verlaagd naar € 97.151,97.


3.2.2.

In de beantwoording van 14 april 2014 van door de Raad gestelde vragen heeft het Uwv de grondslag voor de intrekking van de WW-uitkering per 3 november 2008 gewijzigd. Het Uwv stelt dat de intrekking van de WW-uitkering per 3 november 2008 primair gegrond is op het verlies van de hoedanigheid van werknemer in verband met door appellant verrichte werkzaamheden in Grand Café Chillz in Suriname. Subsidiair heeft het Uwv de intrekking van de WW-uitkering per 3 november 2008 gegrond op het feit dat appellant vanaf die datum buiten Nederland woonde, en meer subsidiair op het feit dat appellant vanaf die datum buiten Nederland verblijf hield anders dan wegens vakantie.


3.2.3.

In reactie op het gewijzigde standpunt van het Uwv heeft appellant gesteld dat hij zijn woonplaats nooit heeft verplaatst naar Suriname en dat hij zijn banden met Nederland niet heeft verbroken. Appellant heeft erkend dat hij de intentie heeft geuit zich te willen vestigen in Suriname, maar heeft erop gewezen dat de voorwaarde voor een definitieve vestiging in Suriname de verkoop van zijn huis in Nederland was. Ook heeft appellant gesteld dat hij ook na 3 november 2008 ingeschreven heeft gestaan in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA).


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 2.7 en 2.10 van de aangevallen uitspraak. Daaraan worden de volgende bepalingen toegevoegd.


4.1.1.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WW wordt waar een natuurlijk persoon woont en waar een lichaam gevestigd is, naar de omstandigheden beoordeeld.


4.1.2.

Ingevolge artikel 1:10, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.


4.1.3.

Ingevolge artikel 1:11, eerste lid, van het BW verliest een natuurlijk persoon zijn woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.


4.1.4.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW heeft geen recht op uitkering de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.


4.1.5.

Ingevolge artikel 21, derde lid, aanhef en onder a, van de WW, voor zover hier van belang, kan een recht op uitkering dat is geëindigd wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, slechts herleven indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden als hier bedoeld niet langer is dan zes maanden.


4.2.

Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van WW-uitkering gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren en aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden om tot intrekking van de eerder toegekende uitkering over te gaan.


Door appellant afgelegde verklaring van 9 juni 2011

4.3.1.

Appellant heeft betoogd dat hij niet kan worden gehouden aan zijn verklaring van 9 juni 2011. Naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Van zodanige bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Appellant heeft de schriftelijke weergave van de door hem afgelegde verklaring doorgelezen, gecontroleerd en ondertekend. Appellant heeft zijn stelling dat de sociaal rechercheur tijdens het verhoor bewust een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven niet onderbouwd. Bovendien zijn in de (opbouw van de) verklaring zelf geen aanknopingspunten te vinden voor deze stelling van appellant. Het oordeel van de rechtbank dat appellant kan worden gehouden aan zijn verklaring van 9 juni 2011 wordt onderschreven.

4.3.2.

Het in 4.3.1 neergelegde oordeel dat appellant kan worden gehouden aan zijn verklaring van 9 juni 2011 leidt ertoe dat bij de beoordeling van de voorliggende rechtsvragen wordt uitgegaan van de volgende feiten. Appellant is per 4 februari 2008 24 uur per week gaan werken in [naam kledingzaak] en hij heeft deze werkzaamheden per 26 mei 2008 uitgebreid naar

66 uur per week. [naam kledingzaak] is op 23 oktober 2008 verkocht. Na de verkoop van [naam kledingzaak] is appellant eind oktober 2008 vertrokken naar Suriname. In november 2008 heeft hij in Paramaribo, samen met zijn toenmalige echtgenote, Grand Café Chillz geopend, waar hij twaalf uur per dag werkzaam was. Van december 2009 tot mei 2010 is hij in Nederland verbleven in verband met waterschade aan zijn huis in Nederland. Na terugkomst in Suriname bleek Grand Café Chillz te zijn leeggeroofd en heeft appellant de zaak gesloten.


Herziening WW-uitkering per 4 februari 2008 en intrekking per 26 mei 2008

4.4.

Door de als zelfstandige in [naam kledingzaak] verrichte werkzaamheden heeft appellant, rekening houdend met een vrijlating van zeven uur per week, per 4 februari 2008 voor zeventien uur per week, en per 26 mei 2008 volledig, de hoedanigheid van werknemer verloren. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat niet is gebleken dat appellant het Uwv op de hoogte heeft gesteld van de uitbreiding van zijn werkzaamheden in [naam kledingzaak] per 26 mei 2008. Daarmee staat vast dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het Uwv was dan ook op grond van de artikelen 8, eerste lid, 20, eerste lid, aanhef en onder a, en 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW gehouden de

WW-uitkering van appellant te herzien per 4 februari 2008 en in te trekken per 26 mei 2008.


Herleving WW-uitkering per 27 oktober 2008

4.5.

Zoals weergegeven in 3.2.1 heeft het Uwv in hoger beroep het (gewijzigde) standpunt ingenomen dat appellant, na de verkoop van [naam kledingzaak] op 23 oktober 2008, de hoedanigheid van werknemer per 27 oktober 2008 heeft herkregen voor 23 uur per week. Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen dit gewijzigde standpunt, zodat hiervan wordt uitgegaan.


Intrekking WW-uitkering per 3 november 2008

4.6.

Uit 3.2.1 blijkt dat het Uwv zich op het standpunt stelt dat het recht op WW-uitkering per 3 november 2008 weer is geëindigd. Uit 3.2.2 blijkt dat het Uwv deze eindiging van het WW-recht per 3 november 2008 primair heeft gegrond op het verlies van de hoedanigheid van werknemer in verband met de door appellant verrichte werkzaamheden in Grand Café Chillz in Suriname, subsidiair op het feit dat appellant vanaf die datum buiten Nederland woonde, en meer subsidiair op het feit dat appellant vanaf die datum buiten Nederland verblijf hield anders dan wegens vakantie.


4.7.1.

Er bestaat aanleiding vooreerst het subsidiaire, meest verstrekkende, standpunt van het Uwv te bespreken. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 1 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN8441) is bij de beantwoording van de vraag waar iemand woont het uitgangspunt dat de feitelijke omstandigheden van het geval beslissend zijn. Op basis daarvan moet worden beoordeeld met welk land appellant een duurzame band van persoonlijke aard had.


4.7.2.

Het subsidiaire standpunt van het Uwv dat appellant vanaf 3 november 2008 geen recht meer heeft op een WW-uitkering op de grond dat hij vanaf die datum buiten Nederland woonde wordt onderschreven. De gedingstukken en de door appellant op 9 juni 2011 afgelegde verklaring zijn toereikend voor dat oordeel. In dat kader is van belang dat appellant vanaf het moment van zijn aanvraag van 23 januari 2008 om in aanmerking te worden gebracht voor een WW-uitkering in contacten met het Uwv telkenmale te kennen heeft gegeven dat hij samen met zijn toenmalige echtgenote zou gaan emigreren naar Suriname om daar een nieuw bedrijf te starten. Ten aanzien van de feitelijke gang van zaken blijkt uit de gedingstukken dat appellant al ten tijde van de WW-aanvraag zijn woning in [woonplaats] te koop had gezet, dat de toenmalige echtgenote van appellant op 26 mei 2008 definitief naar Suriname is vertrokken, dat appellant ten behoeve van de nieuwe onderneming reeds vanaf 1 juli 2008 een pand heeft gehuurd in Suriname, dat appellant zelf na de verkoop van [naam kledingzaak] naar Suriname is vertrokken, dat de nieuwe onderneming Grand Café Chillz in november 2008 is geopend en dat appellant in deze onderneming werkzaam is geweest tot december 2009. Uit de e-mail van 29 juni 2011 van appellant aan inspecteur Dankmeijer van het Uwv blijkt bovendien dat appellant vanaf medio april 2009 vier weken in Nederland is geweest om de overtocht van de inboedel naar Suriname te regelen. Uit het paspoort van appellant blijkt voorts dat de Vreemdelingendienst van het Korps Politie Suriname appellant op 7 december 2008 nog een verblijfsvergunning heeft verstrekt voor de periode van 30 oktober 2009 tot 30 oktober 2011. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat het vanaf begin 2008 de intentie van appellant en zijn toenmalige echtgenote is geweest om hun woonstede te verplaatsen naar Suriname, en dat dit ook feitelijk is gebeurd op 3 november 2008. Op dat moment kan gesproken worden van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Suriname en niet langer met Nederland.


4.7.3.

Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, zijn huis in [woonplaats] nooit heeft verkocht, dat de verkoop van het huis een voorwaarde was voor vestiging in Suriname en dat hij ook vanaf 3 november 2008 in Nederland ingeschreven heeft gestaan in de GBA wijzigt het in 4.7.2 neergelegde oordeel niet. Uit de gedingstukken blijkt dat het van meet af aan de intentie van appellant is geweest om zijn huis in [woonplaats] te verkopen, maar daaruit blijkt niet dat verkoop van het huis een voorwaarde was voor vestiging in Suriname. Uit het feit dat de verkoop van het huis blijkbaar niet is gelukt volgt achteraf niet de conclusie dat ondanks het vertrek van appellant naar Suriname een duurzame band met Nederland is blijven bestaan. In 4.7.1 is reeds overwogen dat bij de beantwoording van de vraag waar iemand woont het uitgangspunt is dat de feitelijke omstandigheden van het geval beslissend zijn. Daaruit volgt dat het (formele) feit dat appellant ingeschreven is blijven staan op het adres Oostzijde 96 BA te [woonplaats] niet meebrengt dat daarmee is gegeven dat appellant ook (feitelijk) op dat adres heeft gewoond.


4.7.4.

Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat het recht op WW-uitkering van appellant per 3 november 2008 is geëindigd op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW, zodat het Uwv de WW-uitkering van appellant op goede gronden heeft ingetrokken per 3 november 2008. Het recht op WW is nadien niet herleefd op grond van artikel 21, derde lid, aanhef en onder a, van de WW. Appellant is weliswaar binnen de in deze bepaling genoemde termijn van zes maanden (na 3 november 2008) vier weken in Nederland geweest, maar dit had te maken met, zoals hij zelf heeft gesteld, het (laten) verschepen van zijn inboedel naar Suriname. Het doel van dit verblijf in Nederland was dan ook juist gelegen in de afwikkeling van de eerdere verplaatsing van de woonstede naar Suriname, zoals beschreven in 4.7.2.


4.7.5.

In 4.7.1 tot en met 4.7.4 is het subsidiaire, meest verstrekkende, standpunt van het Uwv onderschreven. Daaruit volgt dat er geen aanleiding meer bestaat om het primaire standpunt van het Uwv te bespreken.


Terugvordering

4.8.1.

Als gevolg van het feit dat het Uwv in hoger beroep het gewijzigde standpunt heeft ingenomen dat het recht van appellant in de periode van 27 oktober 2008 tot 3 november 2008 is herleefd voor 23 uur per week heeft het Uwv het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering verlaagd en nader vastgesteld op € 97.151,97.


4.8.2.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de over de periode van 4 februari 2008 tot en met 26 oktober 2008 en van 3 november 2008 tot en met 4 maart 2011(deels) onverschuldigd aan appellant betaalde WW-uitkering op € 97.151,97 van hem terug te vorderen. Tegen de berekening van dit bedrag heeft appellant geen gronden aangevoerd.


4.8.3.

Naar aanleiding van het beroep van appellant op de zes-maanden-jurisprudentie wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 september 2001 (ECLI:NL:CRVB:2001:AD5986), waarin is geoordeeld dat aan deze rechtspraak in zaken als de onderhavige sinds 1 augustus 1996 geen betekenis meer toekomt.


4.8.4.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv slechts de netto onverschuldigd betaalde WW-uitkering van hem mocht terugvorderen. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4066) vindt terugvordering plaats in de vorm van bruto te veel betaalde bedragen indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten.


4.8.5.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 11 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1280) kunnen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale consequenties die een terugvordering voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Appellant heeft gesteld dat hij in ernstige financiële problemen is geraakt, en dat door de extreme stress van de terugvordering zijn klachten van de huidziekte psoriasis behoorlijk zijn toegenomen. Dat daarmee sprake zou zijn van onaanvaardbare financiële of sociale consequenties is niet gebleken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn dan ook geen dringende redenen gelegen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


Slotsom

4.9.1.

Met het in hoger beroep gewijzigde standpunt over de herleving van de WW-uitkering van 27 oktober 2008 tot en met 2 november 2008 heeft het Uwv het bestreden besluit niet gehandhaafd. Het bestreden besluit komt dan ook wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moet worden vernietigd. Er is aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb en op grond van hetgeen is overwogen in 4.3 tot en met 4.8 als volgt zelf in de zaak te voorzien.


4.9.2.

De WW-uitkering van appellant wordt per 4 februari 2008 herzien voor zeventien uur per week. De WW-uitkering van appellant wordt per 26 mei 2008 ingetrokken.

De WW-uitkering van appellant herleeft van 27 oktober 2008 tot en met 2 november 2008 voor 23 uur per week. De WW-uitkering wordt per 3 november 2008 ingetrokken. Het terug te vorderen bedrag wordt vastgesteld op € 97.151,97 bruto.


5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 1.225,- in hoger beroep. De reiskosten worden begroot op € 50,02. In totaal zal het Uwv daarom tot vergoeding van € 3.235,02 veroordeeld worden.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 11 april 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • - herroept het besluit van 20 juli 2011;
  • - herziet de WW-uitkering en het terug te vorderen bedrag op de wijze als bepaald in overweging 4.9.2;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 11 april 2012;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.235,02;
  • - bepaalt dat het Uwv appellant het griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) J.R. van Ravenstein




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip woonplaats.




NW