Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 13-5434 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1198

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Adres in de GBA is niet in overeenstemming is met feitelijke woonadres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-16
Zaaknummer
13-5434 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5434 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 augustus 2013, 13/1149 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Namens appellant is verschenen mr. Peper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.A.W.M. Harmsen-Gerritsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 1 maart 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In juli 2012 is appellant verhuisd naar het [adres 1] te Nijverdal ([adres 1]), op welk adres hij een etage huurt van [G.] (G). Sinds 12 juli 2012 staat appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het [adres 1].


1.2.

Naar aanleiding van een melding van de klantmanager van G van 15 oktober 2012 dat G appellant heeft verzocht om niet langer bij hem te logeren, heeft het team Werk en Zorg van de gemeente Hellendoorn een onderzoek ingesteld naar de feitelijke woon- en verblijfplaats van appellant. In dat kader heeft de klantmanager van appellant, [O.] (O), op 19 november 2012 een gesprek gevoerd met appellant. Volgens een in een rapportage van

17 december 2012 opgenomen verslag van dat gesprek heeft appellant bij die gelegenheid verklaard dat hij sinds 1 november 2012 niet meer woonachtig is op het [adres 1], maar op het adres van [K.] (K) aan [adres 2] te Nijverdal ([adres 2]), en dat hij deze adreswijziging nog niet had doorgegeven aan de afdeling Burgerzaken en Belastingen van de gemeente Hellendoorn (afdeling Burgerzaken).


1.3.

Op 28 november 2012 heeft appellant met een formulier ‘Aangifte van adreswijziging’ bij de afdeling Burgerzaken aangifte gedaan van zijn adreswijziging per 1 november 2012 van het [adres 1] naar het [adres 2]. De afdeling Burgerzaken heeft vervolgens bij brief van 28 november 2012 aan K als huidige bewoner van het [adres 2] om toestemming gevraagd om appellant in de GBA te kunnen inschrijven op dat adres.


1.4.

Na een eerdere opschorting van het recht op bijstand van appellant, heeft het college bij besluit van 4 december 2012 het recht op bijstand met toepassing van artikel 40, derde lid, van de WWB opgeschort met ingang van 1 november 2012 op de grond dat appellant in de GBA niet staat ingeschreven op het [adres 2]. Daarbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om vóór 10 december 2012 ervoor zorg te dragen dat zijn adres in de GBA in overeenstemming is met zijn feitelijke woonadres. Tevens heeft het college hem uitgenodigd voor een gesprek op 10 december 2012. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.


1.5.

Appellant heeft zich afgemeld voor het gesprek op 10 december 2012 met als reden dat hij ziek thuis was vanwege rugklachten en psychische klachten. Hij heeft per e-mailbericht van 10 december 2012 aan O een afschrift gestuurd van de door K ondertekende toestemmingsverklaring, gedagtekend 3 december 2012, voor inschrijving van appellant op het [adres 2]. Naar aanleiding hiervan heeft O samen met een andere medewerker op 10 december 2012 een huisbezoek afgelegd aan het [adres 2]. Appellant is niet op dat adres aangetroffen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het in 1.2 genoemde rapport van 17 december 2012. In dit rapport is onder meer vermeld dat tijdens het huisbezoek op 10 december 2012 geen spullen in de woning zijn aangetroffen die erop duiden dat appellant daar woont of verblijft.


1.6.

Bij besluit van 17 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 april 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 40, zesde lid, van de WWB met ingang van 1 november 2012 ingetrokken op de grond dat appellant de afwijking in de GBA niet heeft hersteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd. Hij heeft tijdig, namelijk al op

1 november 2012, formeel aangifte van adreswijziging gedaan. Op die datum is hij samen met K naar de gemeente geweest om de adreswijziging door te geven. Dat blijkt ook uit de in bezwaar ingebrachte verklaring van K van 11 maart 2013. Ten onrechte neemt de rechtbank aan dat aannemelijk is dat appellant pas op 10 december 2012 de door K ondertekende toestemmingsverklaring aan de gemeente heeft verstuurd. Van het huisbezoek op

10 december 2012 is geen proces-verbaal opgemaakt, terwijl niet duidelijk wordt wat tijdens dat huisbezoek is geconstateerd. Aan de tijdens het huisbezoek door K afgelegde verklaring dat appellant niet op het [adres 2] woont en ook nooit gewoond heeft, komt geen betekenis toe, aangezien K in zijn schriftelijke verklaring van 11 maart 2013 heeft verklaard dat hij dat nooit heeft gezegd. Het college is niet geslaagd in zijn bewijslast om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden om gebruik te maken van de bevoegdheid tot intrekking.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 40, derde lid, van de WWB, zoals deze bepaling destijds luidde, bepaalt dat, indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder betrokkene in de GBA staat ingeschreven, het college het recht op bijstand opschort. Ingevolge het vijfde lid doet het college schriftelijk mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en stelt hem daarbij in de gelegenheid de in de GBA opgenomen adresgegevens te doen aanpassen binnen een door het college te stellen termijn.

Het zesde lid, zoals deze bepaling destijds luidde, bepaalt dat de opschorting wordt beëindigd zodra het aan het college gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het vijfde lid gestelde termijn nog bestaat, herziet het college het besluit tot toekenning van de bijstand of trekt het in met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.


4.2.

Het besluit tot intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2012 berust op de toepassing van artikel 40, zesde lid, van de WWB in samenhang met het derde lid van dit artikel.

4.3.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend. Gelet hierop ligt uitsluitend ter beoordeling voor of de intrekking van de bijstand met ingang van 1 november 2012 op grond van artikel 40, zesde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.4.

Vaststaat dat appellant op 10 december 2012 in de GBA nog steeds stond ingeschreven op het [adres 1] en dat de in het opschortingsbesluit van 4 december 2012 geconstateerde afwijking in de GBA zich dus ook nog voordeed op 10 december 2012.


4.5.

Voor zover appellant met zijn stellingen over het tijdig formeel aangifte doen van adreswijziging en het tijdig inzenden van de toestemmingsverklaring van K heeft willen betogen dat hem niet kan worden verweten dat de adreswijziging niet vóór 10 december 2012 is verwerkt in de GBA, slaagt dit betoog niet. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat appellant pas op 28 november 2012 aangifte van adreswijziging heeft gedaan bij de afdeling Burgerzaken. Dat hij al op 1 november 2012 samen met K bij deze afdeling is geweest om daarvan aangifte te doen, zoals K heeft verklaard in zijn schriftelijke verklaring van 11 maart 2012, strookt niet met de eigen verklaring van appellant op 19 november 2012 dat hij zijn adreswijziging nog niet had doorgegeven aan de afdeling Burgerzaken. Reeds om die reden komt aan de verklaring van K van 11 maart 2013 niet die betekenis toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien. De adreswijziging, waarvan appellant op 28 november 2012 aangifte heeft gedaan, is niet verwerkt in de GBA, omdat de afdeling Burgerzaken de daarvoor vereiste toestemmingsverklaring van K niet had ontvangen. Dat appellant de door K ondertekende toestemmingsverklaring al vóór 10 december 2012 aan deze afdeling heeft doen toekomen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft na het opschortingsbesluit geen actie meer ondernomen richting afdeling Burgerzaken om te bewerkstelligen dat de adreswijziging in de GBA zou worden verwerkt. Dat appellant de toestemmingsverklaring van K op 10 december 2012 heeft gemaild aan O, laat onverlet dat op die datum de in het opschortingsbesluit van 4 december 2012 geconstateerde afwijking tussen feitelijk adres en GBA-adres niet was hersteld. Dit betekent dat aan de toepassingsvoorwaarde voor intrekking met toepassing van artikel 40, zesde lid, van de WWB is voldaan.


4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) M.S. Boomhouwer




RB