Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 13-5176 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1214

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering bijstand. Het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel brengen niet met zich dat het college gehouden was de vanaf maart 2011 ten onrechte voortgezette bijstand van appellanten ook op en na 13 januari 2012 ongewijzigd voort te zetten en na het onderzoek in september/oktober 2012 slechts bevoegd was om de bijstand voor de toekomst te beëindigen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat appellanten tijdens het onderzoek in maart 2011 hun huwelijk uitdrukkelijk hadden gepresenteerd als een ‘Marokkaans huwelijk’. Door dit huwelijk te laten legaliseren en registreren in de GBA, hebben appellanten er niet meer gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat ook vanaf het moment van registratie van het huwelijk in de GBA de bijstand ongewijzigd zou worden voortgezet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-16
Zaaknummer
13-5176 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RVS 2015/110
  • USZ 2015/165 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
Uitspraak

13/5176 WWB, 13/5177 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

7 augustus 2013, 13/560 en 13/545 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H. Beekelaar, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Namens appellanten is verschenen mr. Beekelaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 28 december 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant ontving sinds 9 december 2009 bijstand ingevolge de WWB naar dezelfde norm.


1.2.

Naar aanleiding van een melding van de ex-echtgenoot van appellante dat appellante opnieuw gehuwd is, heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) in maart 2011 een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellanten. In dat kader heeft de DWI in de eerste plaats dossieronderzoek gedaan. Daaruit is naar voren gekomen dat in het dossier van appellante een Marokkaanse huwelijksakte aanwezig is met de namen van appellanten. Voorts heeft de DWI appellanten op 9 en 10 maart 2011 gehoord. Appellanten hebben beiden verklaard dat zij voor de Marokkaanse wet met elkaar zijn getrouwd, dat appellante zwanger is van appellant en dat appellant ongeveer vier dagen per week bij appellante verblijft. Tijdens de gesprekken is aan appellanten voorgehouden dat, nu zij voor de Marokkaanse wet zijn getrouwd en appellante zwanger is van appellant, appellanten mogelijk als gezin worden aangemerkt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in twee afzonderlijke rapporten van 16 maart 2011. In het ten aanzien van appellante opgemaakte rapport staat dat uit het onderzoek niet onomstotelijk is bewezen dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren. In het ten aanzien van appellant opgemaakte rapport staat dat uit het onderzoek geen bijzonderheden zijn geconstateerd die zouden kunnen leiden tot een ander standpunt dan dat appellant daadwerkelijk alleen woont en zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres.


1.3.

Vervolgens heeft het college appellanten bij afzonderlijke besluiten van 23 maart 2011 meegedeeld dat hun bijstandsuitkeringen ongewijzigd worden voortgezet. Nadat appellante de geboorteakte van haar op 16 augustus 2011 geboren kind aan de DWI had gezonden, heeft het college appellante bij besluit van 19 september 2011 meegedeeld dat haar bijstandsuitkering met ingang van 16 augustus 2011 ongewijzigd wordt voortgezet.


1.4.

Naar aanleiding van het feit dat appellant niet was verschenen op oproepen voor gesprekken op 10 en 14 september 2012 en dat uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam (GBA) was gebleken dat het Marokkaanse huwelijk van appellanten was gelegaliseerd in Nederland, heeft de DWI opnieuw onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellanten. In dat kader heeft de DWI opnieuw dossieronderzoek verricht en appellante op 24 september 2012 en appellant op

15 oktober 2012 gehoord. Appellanten hebben beiden, kort weergegeven, verklaard dat hun woon- en leefsituatie hetzelfde is als in maart 2011 en dat appellant dus nog steeds vier dagen bij appellante verblijft. Voorts heeft de DWI informatie ingewonnen bij de afdeling Burgerzaken van het stadsdeel Noord te Amsterdam. Daaruit is naar voren gekomen dat het huwelijk tussen appellanten op 13 januari 2012 is ingeschreven in de GBA. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in twee afzonderlijke rapporten van 2 november 2012. In de beide rapporten wordt geconcludeerd dat appellanten moeten worden aangemerkt als een gezin en dat zij niet duurzaam gescheiden leven.


1.5.

Het college heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om bij besluiten van

5 en 12 november 2012 de bijstand van appellante, onderscheidenlijk appellant, in te trekken met ingang van 13 januari 2012. Hieraan is ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellanten met elkaar zijn gehuwd en niet duurzaam gescheiden leven.


1.6.

Het college heeft de bezwaren tegen deze besluiten bij besluiten van 17 december 2012 en 15 januari 2013 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten is het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten kunnen met ingang van 13 januari 2012 geen aanspraak meer maken op bijstand naar de norm voor een alleenstaande, omdat zij vanaf die datum voor de Nederlandse wet zijn gehuwd. Appellanten hebben hun huwelijk laten legaliseren en laten inschrijven in de GBA. Zij hadden redelijkerwijs kunnen weten dat zij dit hadden moeten doorgeven. Door dat na te laten, hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.


1.7.

Bij besluit van 29 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 juni 2013, heeft het college appellanten met ingang van 12 november 2012 bijstand verleend op grond van de WWB naar de norm voor gehuwden. Hangende het tegen het besluit van 21 juni 2013 ingestelde beroep, heeft het college dit besluit bij besluit van 17 april 2014 herzien en appellanten met terugwerkende kracht tot 13 januari 2012 bijstand verleend naar de norm voor gehuwden. De rechtbank heeft nog niet beslist op het beroep.


1.8.

Het college heeft, zo blijkt uit de nadere stukken die appellanten in hoger beroep hebben ingezonden, de vanaf 13 januari 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 13.533,81 bruto. Hangende het beroep tegen het desbetreffende besluit, heeft het college dat besluit bij besluit van 17 april 2014 herzien en het van appellanten teruggevorderde bedrag verlaagd naar € 9.752,12 bruto. Ook op het beroep aangaande de terugvordering heeft de rechtbank nog niet beslist.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben in hoger beroep het volgende aangevoerd. Zij hebben de inlichtingenverplichting niet geschonden, aangezien zij van de legalisatie en registratie van hun huwelijk geen melding hoefden te maken. Het college was immers al vanaf maart 2011 bekend met het feit dat appellanten gehuwd waren en met hun woon- en leefsituatie. Het college heeft daaraan op dat moment geen consequenties verbonden en appellanten meegedeeld dat hun bijstandsuitkeringen ongewijzigd worden voortgezet. Door de bijstand van appellanten met terugwerkende kracht tot 13 januari 2012 in te trekken, heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt in de zaak van appellante van 13 januari 2012 tot en met 5 november 2012, de datum van het in haar zaak genomen intrekkingsbesluit, en in de zaak van appellant van 13 januari 2012 tot en met 12 november 2012, de datum van het in zijn zaak genomen intrekkingsbesluit (beoordelingsperiodes).


4.2.

De wettelijke grondslag van de bestreden besluiten wordt gevormd door de artikelen 17, eerste lid, en 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.


4.2.1.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.


4.2.2.

Artikel 54, derde lid, van de WWB, zoals deze bepaling destijds luidde, bepaalt dat, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.


4.3.

Appellanten zijn op 4 oktober 2010 in Marokko met elkaar gehuwd. Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten in de beoordelingsperiodes - en ook al daarvoor - niet duurzaam gescheiden van elkaar hebben geleefd. Voorts is niet in geschil dat het college in maart 2011 bekend was met het huwelijk van appellanten en met hun feitelijke woon- en leefsituatie en dat de woon- en leefsituatie van appellanten nadien niet is gewijzigd. Uit de stukken blijkt dat appellanten eind augustus 2011 in Marokko hun huwelijksakte hebben laten legaliseren en dat hun huwelijk vervolgens op 13 januari 2012 in de GBA is ingeschreven.


4.4.

Op basis van de bij het college al vóór de beoordelingsperiodes bekende feiten, te weten het huwelijk van appellanten en hun woon- en leefsituatie, hadden appellanten al vóór die periodes niet als zelfstandige subjecten recht op bijstand. De legalisatie van het huwelijk van appellanten en de registratie van dat huwelijk in de GBA hebben daarin geen verandering gebracht. Tegen die achtergrond is de Raad met appellanten en anders dan het college van oordeel dat de legalisatie en de registratie van het huwelijk van appellanten in de GBA niet zijn aan te merken als feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Aangezien appellanten in de te beoordelen periodes niet de op grond van die bepaling op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, was het college niet bevoegd om de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 13 januari 2012 in te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaren en die besluiten vernietigen wegens strijd met de wet. De Raad zal hierna tevens beoordelen of de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten in stand kunnen blijven.


4.5.

Vaststaat dat appellanten in de beoordelingsperiodes niet als zelfstandige subjecten recht op bijstand hadden. Hieruit vloeit voort dat aan appellanten over deze periodes ten onrechte bijstand is verleend naar de norm voor een alleenstaande. Gelet hierop was het college bevoegd de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB, zoals deze bepaling destijds luidde, met ingang van 13 januari 2012 in te trekken.


4.6.

Zoals al in 4.3 is overwogen, was het college in maart 2011 al bekend met het huwelijk van appellanten en met hun woon- en leefsituatie. Hoewel appellanten op basis van deze gegevens niet als zelfstandige subjecten recht op bijstand hadden, heeft het college appellanten bij besluiten van 23 maart 2011 meegedeeld dat hun bijstandsuitkeringen ongewijzigd worden voortgezet. Het college heeft daarbij niet onderkend dat niet had moeten worden beoordeeld of appellanten een gezamenlijke huishouding voeren, maar of zij duurzaam gescheiden leven. Het gevolg hiervan is geweest dat de individuele bijstand van appellanten naar de norm voor een alleenstaande ouder is blijven doorlopen, terwijl zij daar geen recht op hadden. Anders dan appellanten betogen, brengen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet met zich dat het college gehouden was de vanaf maart 2011 ten onrechte voortgezette bijstand van appellanten ook op en na 13 januari 2012 ongewijzigd voort te zetten en na het onderzoek in september/oktober 2012 slechts bevoegd was om de bijstand voor de toekomst te beëindigen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat appellanten tijdens het onderzoek in maart 2011 hun huwelijk uitdrukkelijk hadden gepresenteerd als een ‘Marokkaans huwelijk’. Door dit huwelijk te laten legaliseren en registreren in de GBA, hebben appellanten er niet meer gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat ook vanaf het moment van registratie van het huwelijk in de GBA de bijstand ongewijzigd zou worden voortgezet.


4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten in stand kunnen worden gelaten.


5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Aangezien sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden deze kosten voor appellanten gezamenlijk begroot op

€ 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, in totaal dus op € 1.960,-.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 17 december 2012 en 15 januari 2013 gegrond

en vernietigt deze besluiten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 322,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) M.S. Boomhouwer



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden.





HD