Centrale Raad van Beroep, 23-03-2015 / 13-5415 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1241

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen. Onvoldoende aanknopingspunten om een (verdergaande) urenbeperking aan te nemen. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dienen niet achteraf over te gaan tot een nadere beoordeling of het in eerste instantie over de urenbeperking vastgelegde medische uitgangspunt vatbaar is voor een zekere relativering. Dit betekent dat de functie samensteller kunststof en rubberindustrie als niet geschikt dient te vervallen en dat deze SBC-code niet meer aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Er resteren evenwel voldoende functies om de schatting op te baseren, zij het dat de reductiefactor en de resterende verdiencapaciteit daardoor wijzigen. Maatmanloon juist vastgesteld. Het bij de resterende eerste drie functies behorende mediane loon, afgezet tegen het vastgestelde maatmaninkomen, leidt tot een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-23
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
13-5415 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5415 WIA

Datum uitspraak: 23 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 augustus 2013, 13/2440 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. P.W.G.J. de Haas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 25 september 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij met ingang van 26 november 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 28 februari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van een schadevergoeding afgewezen.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Appellant acht zich meer arbeidsongeschikt dan door het Uwv is aangenomen. In de aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is geen of onvoldoende rekening gehouden met zijn vermoeidheidsklachten. Hij lijdt aan het restless legs syndrome met een verhoogde periodieke slaapmyoclonus (PLMS)-index en slaapapneu. Appellant acht daarom een urenbeperking aangewezen. Dit is onvoldoende meegewogen in de besluitvorming die heeft geleid tot het bestreden besluit. Appellant is voorts niet in staat de ter bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid door het Uwv geselecteerde functies voltijds te verrichten. De belasting van die functies gaat appellants belastbaarheid te boven. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een rapport overgelegd van 28 januari 2014 van een verzekeringsarts van Rheon en een brief van 28 mei 2014 van de behandelend longarts. Appellant heeft voorts aangevoerd dat het maatmanloon onjuist is vastgesteld en heeft daartoe onder meer verwezen naar twee rapporten van

25 september 2013 van een financieel adviseur van Van Meel & Jonkers, een rapport van

30 september 2013 van een belastingadviseur van Van Oers, een rapport van 11 februari 2014 van een arbeidsdeskundige van Rheon, urenspecificaties en loonstroken.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad acht de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen juist.


4.2.

Voor zover de gronden van appellant betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 18 februari 2013. Het rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die betrekking hebben op zowel appellants fysieke als psychische gezondheidstoestand. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen reden vormt om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen.


4.3.

Appellant beschikt volgens het Uwv over verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hij wordt echter door het Uwv in staat geacht tot het verrichten van voorspelbaar en fysiek niet te zwaar belastend werk, waarbij geen hoge eisen aan het vasthouden van aandacht worden gesteld, geen sprake is van veelvuldige storingen en onderbrekingen, er geen hoog handelingstempo is bij meer complexe zaken en waarbij voorts geen eindverantwoordelijkheid vereist is. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geaccordeerde FML van 12 september 2012 zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid opgenomen op persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de verzekeringsarts van Rheon en zijn behandelende artsen is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 maart 2014 afdoende toegelicht waarom de door appellant geclaimde astma-, vermoeidheids- en concentratieklachten niet leiden tot verdergaande beperkingen.


4.4.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan om een (verdergaande) urenbeperking aan te nemen. De verzekeringsartsen hebben inzichtelijk gemotiveerd waarom een urenbeperking niet medisch geïndiceerd is. In de rapporten van 29 juli 2013 en 5 maart 2014 hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep nogmaals gemotiveerd waarom er geen medische reden aanwezig is om, naast de reeds aangegeven beperkingen voor geestelijk inspannend en fysiek zwaardere arbeid, nog een urenbeperking in de FML op te nemen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, op basis van de informatie van onder andere 6 februari 2013 van de longarts

C. van Esbroeck, vermeld dat de slaapapneu goed gereguleerd is en de kwaliteit van het nachtslapen in principe goed is. Met de in de FML opgenomen beperkingen is ruim tegemoet gekomen aan de door appellant geclaimde energetische beperkingen. Voor het aannemen van meer beperkingen dan wel een verdergaande urenbeperking kan in de aanwezige medische stukken geen steun worden gevonden.


4.5.

De Raad acht zich voldoende voorgelicht over de gezondheidssituatie van appellant ten tijde in dit geding van belang. Er bestaat dus geen aanleiding om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen, zoals door appellant ter zitting verzocht.


4.6.1.

De rechtbank heeft evenwel ten onrechte geoordeeld dat de belasting in de voorgehouden functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.


4.6.2.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in het rapport van 26 februari 2013 uitgegaan van de geschiktheid van appellant voor de functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), wikkelaar (SBC-code 267050), samensteller kunststof en rubberindustrie (SBC-code 271130), productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie

(SBC-code 111172) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010). De berekening van het loonverlies is gebaseerd op het mediane loon van de eerste drie functiebestandcodes. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de motivering door de arbeidsdeskundige in het “Resultaat functiebeoordeling” onderschreven.


4.6.3.

De Raad stelt vast dat de arbeidsdeskundigen toereikend hebben gemotiveerd dat de belasting in de functies productiemedewerker industrie, wikkelaar en productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie past binnen de voor appellant bestaande functionele mogelijkheden.


4.6.4.

De aanvaardbaarheid van de belasting in de functie samensteller kunststof en rubberindustrie hebben de arbeidsdeskundigen daarentegen niet toereikend gemotiveerd. Het gemiddeld aantal uren per dag in die functie is maximaal achtenhalf op de maandagen tot en met de donderdagen en vier uur op de vrijdag. De verzekeringsarts heeft in het rapport van

12 september 2012 de urenbeperking zonder enige bandbreedte bepaald op acht uren per dag. In het “Resultaat functiebeoordeling” heeft de arbeidsdeskundige vermeld dat in overleg met de verzekeringsarts enkele dagen een half uur langer is toegestaan, zeker gezien de compensatie hiervoor op andere dagen (tijd voor tijd). Dit is een te sterke relativering van de urenbeperking tot acht uren per dag. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraken van 30 maart 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA2095), 8 april 1997, (ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6991) en 11 maart 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AF8482) moet voor de zogenoemde medische parttimer vaststaan dat de voorgehouden functies aan de eis van de in medisch opzicht maximaal mogelijke omvang voldoen. De verzekeringsarts heeft in de FML vastgelegd dat appellant acht uren per dag kan werken. Zowel appellant als de toetsende instanties dienen van de juistheid daarvan te kunnen uitgaan. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dienen niet achteraf over te gaan tot een nadere beoordeling of het in eerste instantie over de urenbeperking vastgelegde medische uitgangspunt vatbaar is voor een zekere relativering. Dit betekent dat de functie samensteller kunststof en rubberindustrie als niet geschikt dient te vervallen en dat deze SBC-code niet meer aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd.


4.6.5.

Er resteren evenwel voldoende functies om de schatting op te baseren, zij het dat de reductiefactor en de resterende verdiencapaciteit daardoor wijzigen.


4.7.1.

Laatstelijk bij rapport van 27 februari 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het maatmanloon van appellant vastgesteld op € 17,41 bruto per uur, bij een maatmanomvang van 40,32 per week. Appellant heeft in hoger beroep rapporten van adviseurs overgelegd, waarin is uitgegaan van een andere urenomvang in het refertejaar, alsmede een ander indexcijfer en reductiefactor voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard enkel de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgestelde 52,2 weken ter berekening van de urenomvang in het refertejaar nog te bestrijden.


4.7.2.

Tussen partijen zijn het vastgestelde refertejaar en de bruto-inkomsten van appellant in dat jaar niet in geschil. Voorts is niet in geschil dat appellant het loon van zijn werkgever per maand ontving. Uitgaande van 261 loondagen per jaar, waarbij het Uwv heeft aangesloten bij de bepalingen in het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, alsmede uitgaande van een week van vijf loondagen, zijn de arbeidsdeskundigen in hun rapporten van

24 september 2012, 26 februari 2013, 23 oktober 2013 en 27 februari 2014 terecht uitgegaan van 52,2 weken per jaar. Niet het door appellant tot basis van zijn berekening genomen aantal van 52 kalenderweken per jaar is uitgangspunt bij de berekening van het maatmanloon, maar het aantal van 261 loondagen per jaar. Het maatmanloon is dan ook op juiste gronden vastgesteld op € 17,41.


4.8.

Het bij de resterende eerste drie functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, productiemedewerker industrie en wikkelaar behorende mediane loon, afgezet tegen het voor appellant vastgestelde maatmaninkomen, dient te leiden tot een arbeidsongeschiktheid van appellant van minder dan 35%.


5. Uit het overwogene bij 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zodat ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en C.P.J. Goorden en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) J.R. van Ravenstein



IvR