Centrale Raad van Beroep, 26-01-2015 / 13-2834 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:127

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-26
Publicatiedatum
2015-01-27
Zaaknummer
13-2834 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2834 WIA

Datum uitspraak: 26 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 april 2013, 12/4081 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2014. Namens appellant was mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat, aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 18 oktober 2011 heeft appellant een aanvraag gedaan om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 30 januari 2006. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

26 januari 2012 vastgesteld dat appellant met ingang van 30 januari 2006 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 28 augustus 2012 (bestreden besluit), onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij vooropgesteld dat niet alleen van belang is of appellant ten tijde van de datum in geding psychische klachten had, maar ook of hij op grond van die klachten arbeidsongeschikt kon worden beschouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen beperkingen aangenomen omdat uit de door appellant overgelegde medische stukken niet blijkt dat hij al op de datum in geding, 30 januari 2006, een verminderde psychische belastbaarheid had. Er bestaat gelet op de inhoud van het dossier geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten aanzien van de ingebrachte informatie van de behandelend psychiater A.L. Cense van

12 maart 2013 heeft de rechtbank overwogen dat deze informatie geen ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellant per 30 januari 2006 en op de beperkingen die hieruit voor het verrichten van arbeid voortvloeien.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv de mate van zijn arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld. Daarbij heeft appellant er in het bijzonder op gewezen dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag zijn gelegd. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van wat hij reeds in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. De aangevoerde gronden hebben de rechtbank terecht tot het oordeel geleid dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet ondeugdelijk is.

4.2.

De door appellant in hoger beroep bij brief van 3 december 2014 ingestuurde medische gegevens leiden niet tot een ander oordeel. De informatie van psychiater Cense was reeds bekend bij de verzekeringsartsen en is meegenomen in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat uit deze informatie niet blijkt dat appellant al op de datum in geding verminderde psychische belastbaarheid had. Het psychiatrisch onderzoek vond plaats ruim vier jaar na de datum in geding. Uit stukken van de huisarts blijkt dat appellant pas op 25 oktober 2007, ruim na de datum in geding, is verwezen naar PsyQ wegens psychische klachten. De in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts ziet op de medische situatie van appellant vanaf februari 2011. Deze informatie heeft geen betrekking op de datum in geding en kan daarom niet leiden tot een ander oordeel.


4.3.

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat de medische geschiktheid van de geduide functies door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk en toereikend is gemotiveerd in het rapport van 31 juli 2012. Er bestaat geen aanleiding om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor ondeugdelijk te houden.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) J.T.P. Pot



IvR