Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 14-4901 WWB-W


ECLI:NL:CRVB:2015:1293

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om wraking. Geen sprake van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bij de behandelend rechter.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-28
Zaaknummer
14-4901 WWB-W
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/175
  • JOM 2015/848
  • JB 2015/109 met annotatie van A.M.M.M. Bots
Uitspraak

14/4901 WWB-W


Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het verzoek om wraking gedaan door







[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)



PROCESVERLOOP


Namens verzoeker heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2014, 13/7291, in het geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (het college).


Bij brief van 11 september 2014 heeft de Raad verzoeker erop gewezen dat het beroepschrift pas op 1 september 2014 is ontvangen en hem verzocht toe te lichten waarom de beroepstermijn is overschreden.


Bij brief van 9 oktober 2014 heeft mr. drs. Schroeder uiteengezet waarom volgens hem geen sprake is geweest van een overschrijding van de beroepstermijn.


Bij brief van 8 januari 2015 is verzoeker geïnformeerd dat zijn hoger beroep op 24 februari 2015 ter zitting zal worden behandeld en dat ter zitting uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde zal komen.


Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. Namens verzoeker is mr. drs. Schroeder verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting gesloten.


Bij brief van 24 februari 2015 heeft verzoeker verzocht om toezending van een proces-verbaal van de zitting. Verzocht is om toezending op een zodanig vroeg tijdstip dat een eventuele reactie van verzoeker op het proces-verbaal de Raad nog kon bereiken voordat de ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt beoordeeld. Dit verzoek is bij brief van

26 februari 2015 afgewezen. Verzoeker is daarbij erop gewezen dat alleen als hij voldoende belang heeft bij toezending van het proces-verbaal, overwogen kan worden een proces-verbaal op te maken. Van een voldoende belang was niet gebleken.


Bij brief van 28 februari 2015 heeft verzoeker wederom verzocht om toezending van een proces-verbaal of de door de griffier ter zitting gemaakte aantekeningen van het verhandelde ter zitting. In zijn brief heeft verzoeker uiteengezet van welke aspecten de griffier aantekening had moeten maken. Indien dit niet is gebeurd, ziet hij aanleiding opmerkingen te maken over het proces-verbaal. Bij brief van 6 maart 2015 zijn deze verzoeken afgewezen. Gelet op het feit dat in de brief van 28 februari 2015 ook inhoudelijk op de zaak wordt ingegaan, terwijl het onderzoek ter zitting is gesloten, is de brief van 28 februari 2015 retour gezonden.


Bij brief van 9 maart 2015 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter, mr. J.F. Bandringa.


De behandelend rechter heeft schriftelijk meegedeeld niet te berusten in het wrakingsverzoek.


De behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Schroeder. De behandelend rechter is met bericht niet verschenen.





OVERWEGINGEN


1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is het middel van wraking bedoeld te waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.


2. Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking primair ten grondslag gelegd dat de rechter het (aanvullend) verzoek om toezending van een proces-verbaal heeft geretourneerd als ware het een nader stuk. Daardoor is het volgens verzoeker uitgesloten dat hij een geslaagd verzoek kan indienen als bedoeld in artikel 8:61, derde lid, onder a, van de Awb. Als hij immers in zijn verzoekschrift nalaat om zijn belang bij het opmaken van een proces-verbaal aan te tonen, dan wordt het verzoek afgewezen op die grond. Onderbouwt hij zijn verzoek wel, dan wordt de brief geretourneerd en het verzoek alsnog afgewezen. Subsidiair heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter ten onrechte heeft geweigerd om de aantekening van het verhandelde ter zitting aan hem af te staan.


3.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).


3.2.

De beslissing om de verzoeken om toezending van een proces-verbaal van de zitting dan wel de door de griffier ter zitting gemaakte aantekeningen van het verhandelde ter zitting af te wijzen, is een procedurele beslissing. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0580) is wraking niet bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen en kunnen deze beslissingen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als uit de procedurele beslissing blijkt van vooringenomenheid van de rechters die deze beslissing hebben genomen.


3.3.

De veronderstelling van verzoeker, die aan zijn primaire wrakingsgrond ten grondslag ligt, dat de brief van 28 februari 2015 door de behandelend rechter is geretourneerd als een ‘nader stuk’ zonder daarvan kennis te nemen, is onjuist. Uit de brief van 6 maart 2015 blijkt dat wel degelijk kennis is genomen van de inhoud van de brief van verzoeker van 28 februari 2015. Uit die brief is echter niet gebleken van het belang van verzoeker bij toezending van het proces-verbaal van de zitting. Zijn verzoek is om die reden afgewezen, waarbij is verwezen naar de brief van 26 februari 2015. Bovendien is erop gewezen dat verzoeker in zijn brief ook inhoudelijk op de zaak ingaat. De enkele omstandigheid dat het verzoek om toezending van een proces-verbaal is afgewezen en de brief waarin is verwoord wat verzoekers gemachtigde op de zitting naar voren heeft gebracht retour is gezonden, vormt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de behandelend rechter met betrekking tot de beoordeling van het hoger beroep ten opzichte van verzoeker vooringenomen is dan wel dat de bij verzoeker bestaande vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Ook de weigering de door de griffier gemaakte aantekening van het verhandelde ter zitting te verstrekken, vormt onvoldoende reden om vooringenomenheid bij de behandelend rechter aan te nemen.


3.4.

Uit wat verzoeker overigens heeft aangevoerd kan evenmin een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bij de behandelend rechter worden afgeleid. Het verzoek om wraking wordt daarom afgewezen.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en M. Greebe en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) W. de Braal




HD