Centrale Raad van Beroep, 22-04-2015 / 14-916 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:1300

Inhoudsindicatie
Opleggen van een maatregel in verband met het niet voldoen aan zijn sollicitatieverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-22
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
14-916 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/916 WW

Datum uitspraak: 22 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

2 januari 2014, 13/1525 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam als [functie] bij [afdeling] in dienst van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Met ingang van

15 januari 2012 is hem ontslag verleend.


1.2.

Bij besluit van 21 februari 2012 heeft het Uwv appellant met ingang van 16 januari 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).


1.3.

Naar aanleiding van een door appellant in het kader van een controle ingevuld en toegezonden formulier “Sollicitatieoverzicht” over de periode van 1 november 2012 tot en met 31 december 2012, heeft het Uwv bij besluit van 30 januari 2013 de uitkering van appellant met ingang van 21 januari 2013 voor vier maanden met 25% verlaagd omdat appellant niet heeft gesolliciteerd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.


1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 24 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover nu van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aan te tonen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij in de onderzochte periode niet heeft gesolliciteerd. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW rust op appellant een sollicitatieverplichting. In het besluit tot toekenning van de WW-uitkering van

21 februari 2012 heeft het Uwv appellant er uitdrukkelijk op gewezen dat van hem verwacht wordt dat hij gemiddeld ten minste één keer per week solliciteert. De sollicitatieverplichting is daarnaast ook vermeld in de brochure “Een WW-uitkering, en nu?”, die aan appellant is toegezonden. Verder wordt op de website uwv.nl uitvoerig ingegaan op de sollicitatieverplichting. De rechtbank heeft het betoog van appellant dat hij niet kon solliciteren omdat hij verwikkeld was in tijdrovende procedures met zijn ex-werkgever, niet gevolgd. De rechtbank heeft verder overwogen dat voor de sollicitatieverplichting niet relevant is of het ontslag al dan niet terecht is geweest. Dat appellant geen werkcoach had en een sollicitatietraining is uitgesteld, kan volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. De stelling van appellant dat zijn ex-werkgever het Uwv heeft opgedragen om de sollicitatieactiviteiten van appellant streng te controleren acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast zou dit appellant volgens de rechtbank niet ontslaan van de sollicitatieverplichting.


3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd, waarbij hij zijn gronden van beroep in essentie heeft herhaald. Appellant heeft gesteld dat hij onvoldoende is voorgelicht, waardoor hem niet duidelijk was dat hij moest solliciteren en dat hij ontheffing van de sollicitatieverplichting had kunnen aanvragen. Hij heeft erop gewezen dat hij geen werkcoach had en dat hij geen gebruik kon maken van de digitale werkmap. Zijn ex-werkgever is eigen risicodrager en is verantwoordelijk voor zijn re-integratie, maar heeft zijn verplichtingen verzaakt. Appellant begrijpt niet wat de rol is van het Uwv. Deze had volgens appellant geen controlebevoegdheid. Bovendien was hij door een burn-out en door de gevoerde procedures niet in staat om te solliciteren.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de onderdelen 3.2 tot en met 3.4 van de aangevallen uitspraak.


4.2.

Op grond van artikel 72a van de WW zijn overheidswerkgevers wettelijk verantwoordelijk voor de re-integratie van werkloze ex-werknemers. Het Uwv is echter als enige bevoegd om een beslissing te nemen over de WW. Daarnaast is het Uwv verantwoordelijk voor de handhavingstaak. De beroepsgrond van appellant in hoger beroep dat het Uwv geen controlebevoegdheid heeft kan dan ook niet slagen.


4.3.

Uit een recht op een WW-uitkering vloeit de verplichting voort dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos blijft en dat hij tracht om passende arbeid te verkrijgen. Dit volgt uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Het door het Uwv ter zake van dit artikellid gevoerde beleid is neergelegd in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en IOW 2012, Stcrt. 2012, 6355. Verder is in het toekenningsbesluit van

21 februari 2012 duidelijk vermeld dat van appellant verwacht werd dat hij gemiddeld ten minste één keer per week solliciteerde en dat het Uwv dit controleert. Dat appellant een werkloze overheidswerknemer is maakt dat niet anders, noch de wijze waarop de

ex-werkgever zijn re-integratietaak heeft uitgevoerd. Dat appellant geen werkcoach had, al dan niet de folder ‘Werkloos, en wat nu?’ en het Werkplan van 27 januari 2012 heeft ontvangen en geen toegang had tot een digitale Werkmap, ontsloeg hem niet van de sollicitatieverplichting. Appellants beweerde onbekendheid met de sollicitatieverplichting dient dan ook geheel voor zijn risico te komen.


4.4.

Niet in geschil is dat appellant in de door het Uwv beoordeelde periode van

1 november 2012 tot en met 31 december 2012 geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht. Het Uwv heeft in deze overtreding grond gezien om aan appellant de voor een dergelijke overtreding in het Maatregelenbesluit voorgeschreven (standaard)maatregel van 25% verlaging van het uitkeringsbedrag voor vier maanden op te leggen. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel maatregelen Uwv bepaalt dat van verminderde ernst of verwijtbaarheid die aanleiding is voor toepassing van een verlaagd percentage, sprake is indien het niet naleven van de verplichting, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene of de omstandigheden waaronder het niet naleven van de verplichting heeft plaatsgevonden, hem slechts in beperkte mate kan worden aangerekend. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat van verminderde verwijtbaarheid geen sprake is. Het standpunt van appellant dat hij niet in staat was om de solliciteren omdat hij een dagtaak had aan de procedures met zijn ex-werkgever en aan een burn-out leed, wordt niet gevolgd. Gezien de activiteiten die appellant ondernam zijn er geen aanwijzingen dat in de periode van

1 november 2012 tot en met 31 december 2012 sprake was van een volledig onvermogen tot solliciteren.


4.5.

Of het Uwv, zoals appellant heeft betoogd, ten onrechte gegevens heeft verstrekt aan zijn ex-werkgever is niet relevant voor het oordeel over het opleggen van een maatregel aan appellant in verband met het niet voldoen aan zijn sollicitatieverplichting. Volstaan wordt met de opmerking dat het Uwv op grond van artikel 5.17 van het besluit SUWI verplicht is bepaalde gegevens over de uitkeringssituaties te leveren aan overheidswerkgevers.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2015.