Centrale Raad van Beroep, 21-04-2015 / 13-6178 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1312

Inhoudsindicatie
Middelen, inkomsten fictief, onderzoeksbevoegdheid, recht niet vast te stellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
13-6178 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/156
Uitspraak

13/6178 WWB, 13/6179 WWB

Datum uitspraak: 21 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2013, 13/2108 en 13/2109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, desverzocht, een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2015. Namens appellant is verschenen mr. Van Angeren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.H.M. Diderich.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 19 april 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

In juni 2012 heeft appellant aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) doorgegeven dat hij per 5 juni 2012 een nieuw adres heeft. In verband daarmee heeft de DWI appellant verzocht om nader genoemde gegevens over te leggen. Onder de door appellant ingeleverde gegevens bevond zich onder meer een arbeidsovereenkomst, waaruit blijkt dat hij per 11 juni 2012 voor de duur van zes maanden in dienst is getreden bij [naam werkgever] (werkgever) als verkoper/medewerker voor 52 uur per week tegen een salaris van € 485,16 per maand. Naar aanleiding van deze informatie heeft de (afdeling Handhaving van de) DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de DWI onder meer dossieronderzoek verricht, op 16 en 17 oktober 2012 drie waarnemingen verricht in de omgeving van het adres van de werkgever en met appellant op 19 oktober 2012 een gesprek gevoerd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 oktober 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

19 november 2012 de bijstand van appellant met ingang van 18 mei 2012 in te trekken. Bij besluit van 22 november 2012 heeft het college de over de periode van 18 mei 2012 tot en met 31 oktober 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd.


1.4.

Bij besluiten van 22 en 25 maart 2013 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 19 en 22 november 2012 in die zin gegrond verklaard dat de bijstand met ingang van 11 juni 2012 wordt ingetrokken en de kosten van bijstand worden teruggevorderd over de periode van 11 juni 2012 tot en met 31 oktober 2012. Aan de bestreden besluiten heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft op zijn werkplek buiten reguliere werktijden productieve, op geld waardeerbare arbeid verricht. Door van deze activiteiten geen melding te maken en geen helderheid te verschaffen over de omvang daarvan, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan de mate van bijstandbehoevendheid niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd voor zover daarbij de vergoeding voor de kosten in bezwaar is afgewezen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden, voor zover ter zitting gehandhaafd, gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 11 juni 2012 tot en met 19 november 2012, de datum van het intrekkingsbesluit. In deze periode verrichtte appellant op basis van de in 1.2 genoemde arbeidsovereenkomst werkzaamheden in een belhuis dat geopend was van 9.00 tot 0.00 uur.


4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat er in zijn geval geen goede aanleiding is geweest voor het instellen van een rechtmatigheidsonderzoek en dat, nu dit onderzoek toch heeft plaatsgevonden, de onderzoeksresultaten buiten beschouwing moeten worden gelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 53a van de WWB, zoals van toepassing ten tijde hier van belang, is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Gelet hierop valt niet in te zien dat het college niet op enig moment een onderzoek mocht instellen naar de feitelijke omvang van de werkzaamheden van appellant.


4.3.

De beroepsgrond dat de waarnemingen een ontoelaatbare schending van de privacy van appellant hebben opgeleverd, behoeft geen nadere bespreking. Appellant heeft immers tijdens het gesprek op 19 oktober 2012 zelf, geheel los van de waarnemingen, het volgende verklaard: “Ik blijf vaak wel langer zitten in de kamer bij de eigenaar, na mijn werktijd. Ik werk dan officieel niet meer. Maar mocht de eigenaar het druk hebben, dan help ik de klanten bijv. met printen of ik controleer of de pc’s werken, om te leren hoe pc’s gerepareerd moeten worden. Voor de uren dat ik na werktijd blijf zitten in de zaak met de eigenaar word ik niet uitbetaald. Soms word ik gebeld voor telefoonreparatie, omdat de eigenaar ook telefoons laat repareren door Sarra Com, dat is een winkel van een familie van de eigenaar. Ik werk niet voor Sarra Com, maar breng alleen toestellen er naartoe voor reparatie. Ik hou zelf geen rooster bij. Het komt heel vaak voor dat ik na mijn werktijd in de zaak blijf. Er werken 4 personen. Ik blijf bijna altijd in de zaak na werktijd, vaak 2 à 3 uren per keer. Soms meer, soms minder.”


4.4.

De werkgever heeft in zijn schriftelijke verklaringen, die appellant in bezwaar heeft ingebracht, bevestigd dat appellant ook buiten werktijd op de zaak bleef voor een praatje en om te helpen. De werkgever heeft verklaard: “[Appellant] vond het altijd gezellig op de zaak dus bleef hij wat praatjes maken met de klanten, werknemers en werkgevers. Hier en daar wat hulp aanbieden. Het was inmiddels een soort chillplek voor hem. Ook wanneer hij her en der even een klant hielp was het duidelijk dat hij niet in dienst was. (Dus er niet voor betaald kreeg.) Als [appellant] nableef op het werk was dat meestal door de weeks na 18.00.”


4.5.

Reeds op grond van de in 4.3 en 4.4 weergegeven verklaringen van appellant en de werkgever staat vast dat appellant in de te beoordelen periode regelmatig ook buiten werktijd aanwezig was op zijn werkplek. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de door de rechtbank genoemde uitspraak van

28 september 2010, ECLI:NL:CRVB:BO0505) dat de aanwezigheid tijdens reguliere uren op de eigen werkplek de vooronderstelling rechtvaardigt dat de betreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. Zowel appellant als zijn werkgever hebben immers verklaard dat appellant tijdens de uren waarop hij buiten werktijd op zijn werkplek aanwezig was ook klanten hielp als dat nodig was.


4.6.

De beroepsgrond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, slaagt niet. Hij heeft niet eerder dan tijdens het gesprek op 19 oktober 2012 te kennen gegeven dat hij buiten werktijd aanwezig was in het belhuis en dan ook klanten hielp. Anders dan appellant veronderstelt, is het helpen van klanten, ook in de door hem beschreven setting, onmiskenbaar een op geld waardeerbare activiteit. Reeds om die reden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant redelijkerwijs heeft kunnen en moeten begrijpen dat zijn aanwezigheid in het belhuis gedurende meer uren dan hij heeft opgegeven en de door hem tijdens die uren verrichte werkzaamheden van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op bijstand. Door van deze feiten en omstandigheden geen melding te maken, heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.


4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft geen enkel objectief en verifieerbaar gegeven overgelegd over het feitelijk aantal door hem gewerkte uren. Reeds bij gebreke van dergelijke gegevens slaagt de beroepsgrond niet dat het college de loonwaarde van de door appellant buiten zijn werktijd in het belhuis doorgebrachte uren had moeten schatten.


4.8.

Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de onmogelijke schuldpositie waarin hij verkeert een dringende reden oplevert om van terugvordering af te zien.


4.9.

Het college hanteert de beleidsregel dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering wordt afgezien indien daartoe dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene of zijn gezin zou leiden. Dat appellant schulden heeft, vormt geen dringende reden in de hiervoor bedoelde zin. Daarbij is van belang dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.


4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom, voor zover aangevochten, worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.C.F. Talman en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C. Moustaine



HD