Centrale Raad van Beroep, 13-04-2015 / 15-610 AWBZ-VV


ECLI:NL:CRVB:2015:1332

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Concrete medische gegevens die het gestelde acute karakter van verzoeksters situatie aannemelijk maken of althans kunnen dienen als een begin van bewijs dat het voor verzoekster medisch niet verantwoord is de bodemprocedure af te wachten, bevinden zich niet in het dossier. De enkele, niet medisch onderbouwde bewering van verzoekster dat zij op AWBZ-zorg is aangewezen, vormt geen zodanig zwaarwegend belang dat behandeling van het hoger beroep in de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-13
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
15-610 AWBZ-VV
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/610 AWBZ-VV

Datum uitspraak: 13 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 februari 2015, nr. 14/1914 (aangevallen uitspraak).

Namens verzoekster heeft mr. Arabaci tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 20 januari 2014 heeft CIZ de aanvraag van verzoekster om op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd te worden voor de functies Begeleiding Individueel (BI) Begeleiding in Groepsverband (BG) afgewezen. Verder heeft CIZ in dat besluit een eerder verleende indicatie voor Persoonlijke Verzorging (PV) niet meer verlengd. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.2.

Bij besluit 23 juli 2014 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft CIZ de verslagen van zijn medisch adviseur ten grondslag gelegd. De medisch adviseur constateerde op basis van de voorhanden medische informatie dat het zeer aannemelijk is dat er een samenhang is tussen het extreem overgewicht en de klachten van de rug, de slaapapneu en de beperkingen die verzoekster ondervindt bij het bewegen en zich verplaatsen. Volgens de medisch adviseur is behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) van de obesitas en daaruit voortvloeiende klachten voorliggend op AWBZ-zorg. Andere lichamelijke klachten, zoals de ademhalingsklachten en duizeligheid, zijn medisch niet geobjectiveerd. Toekennen van AWBZ-zorg in de vorm van PV zou zelfs anti-revaliderend kunnen zijn volgens de medisch adviseur. De psychische klachten van verzoekster zijn niet geobjectiveerd, zodat geen grondslag Psychiatrie is vast te stellen, aldus de medisch adviseur.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep van verzoekster ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de medisch adviseur op zorgvuldige wijze onderzoek verricht. CIZ mocht daarop zijn besluitvorming baseren nu verzoekster niet met objectiveerbare gegevens of anderszins heeft aangetoond dat de medische beoordelingen die ten grondslag liggen aan de besluitvorming onjuist of onvolledig zijn.


3. Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, stellende dat zij een spoedeisend belang heeft bij de toekenning van persoonlijke verzorging en begeleiding omdat zij al geruime tijd ziek is en psychische klachten heeft waardoor zij aangewezen is op hulp van anderen. Volgens verzoekster heeft de medisch adviseur ten onrechte een samenhang aangenomen tussen de rugklachten, slaapapneu en bewegingsproblematiek enerzijds en de extreme obesitas anderzijds. Zij heeft de Raad verzocht om de benodigde AWBZ-zorg toe te wijzen totdat op het hoger beroep beslist is.


4. Naar aanleiding van dit verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende beoordeling.


4.1.

Gelet op artikel 8:108, eerst lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764) de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen en voorrang te geven op andere zaken.


4.3.

Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd levert geen grond op om te oordelen dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat het nu juist de ernst en objectiveerbaarheid van verzoeksters aandoening(en) en de mate waarin zij op AWBZ-zorg aangewezen is, in geding zijn en in de bodemprocedure beoordeeld moeten worden. Concrete medische gegevens die het gestelde acute karakter van verzoeksters situatie aannemelijk maken of althans kunnen dienen als een begin van bewijs dat het voor verzoekster medisch niet verantwoord is de bodemprocedure af te wachten, bevinden zich niet in het dossier. De enkele, niet medisch onderbouwde bewering van verzoekster dat zij op AWBZ-zorg is aangewezen, vormt geen zodanig zwaarwegend belang dat behandeling van het hoger beroep in de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.


4.4.

Het verzoek is gelet op het hiervoor overwogene kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.


5. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2015.



(getekend) A.J. Schaap



(getekend) R.L. Rijnen



IJ