Centrale Raad van Beroep, 10-04-2015 / 14-908 TW


ECLI:NL:CRVB:2015:1346

Inhoudsindicatie
Weigering toeslag. Appellant is met behoud van WAO-uitkering naar Turkije gemigreerd. In artikel 4a, eerste lid, van de TW is, kort samengevat, bepaald dat geen recht op toeslag bestaat gedurende de periode dat een potentieel rechthebbende buiten Nederland woont. Dit artikel is per 1 januari 2000 ingevoerd bij de Wet beperking export uitkeringen. Het woonplaatsvereiste van artikel 4a van de TW is objectief gerechtvaardigd te achten. Geen strijd met de discriminatieverboden. (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4816)
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-10
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
14-908 TW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/908 TW

Datum uitspraak: 10 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 december 2013, 13/2957 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Turkije (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Appellant is daar verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren 1 juli 1955, heeft de Nederlandse nationaliteit. Bij besluit van

13 juli 2009 heeft het Uwv op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanaf 10 juni 2008 een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar de klasse 80-100% aan appellant toegekend. Medio 2011 is appellant met behoud van de aan hem toegekende

WAO-uitkering naar Turkije gemigreerd. Daar is hij op 12 juli 2012 getrouwd.


1.2.

Bij besluit van 14 januari 2013 heeft het Uwv afwijzend beslist op een verzoek van appellant om hem per 12 juli 2012 een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toe te kennen.


1.3.

Bij beslissing van 18 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 januari 2013 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant ingevolge de TW geen recht heeft op een toeslag gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er sprake is van discriminatie. Hij zou graag remigreren naar Nederland, maar slaagt er niet in om in Nederland geschikte woonruimte te verkrijgen.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

In artikel 4a, eerste lid, van de TW is, kort samengevat, bepaald dat geen recht op toeslag bestaat gedurende de periode dat een potentieel rechthebbende buiten Nederland woont. Dit artikel is per 1 januari 2000 ingevoerd bij de Wet beperking export uitkeringen.

4.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Er is geen reden om dit oordeel onjuist te achten. In zijn uitspraak van 16 mei 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4816) heeft de Raad op basis van een uitgebreide motivering geoordeeld dat het woonplaatsvereiste van artikel 4a van de TW objectief gerechtvaardigd is te achten en dat toepassing van dit vereiste niet leidt tot strijd met de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten. Kortheidshalve wordt hier naar deze uitspraak verwezen. Anders dan appellant misschien veronderstelt houdt de weigering om hem een toeslag toe te kennen geen verband met zijn Turkse afkomst of de Turkse nationaliteit van zijn echtgenote, maar uitsluitend met het feit dat hij niet in Nederland woont.


4.3.

Uit wat hiervoor is overwogen onder 4.1 en met 4.2, vloeit voort dat het hoger beroep van appellant faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) B. Fotchind




NK