Centrale Raad van Beroep, 28-04-2015 / 13-4769 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1348

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Uitgaan van afgelegde verklaring. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. De bevindingen van het onderzoek bieden geen toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat hij geen woonplaats in de gemeente Lelystad heeft gehad.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-28
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
13-4769 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4769 WWB

Datum uitspraak: 28 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 juli 2013, 13/671 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.B.M. Swart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Swart. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

R. Timmermans en T. Wever.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving vanaf 19 januari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande zonder toeslag. Omdat appellant geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, maar her en der verblijft bij vrienden, familie, kennissen en in de moskee, is het hem met ingang van dezelfde datum toegestaan het postadres van de gemeente Lelystad als inschrijfadres te gebruiken.


1.2.

In verband met onduidelijkheid over de feitelijke verblijfplaats van appellant heeft de afdeling Werk en inkomen van de gemeente Lelystad een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn geautomatiseerde systemen en bronnen geraadpleegd en hebben waarnemingen plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 29 september 2010, zijn aanleiding geweest voor een nader onderzoek door het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland (SRF). In het kader van dit onderzoek door de SRF heeft eveneens dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn externe bronnen en registers geraadpleegd, zijn instanties bevraagd, hebben waarnemingen en observaties plaatsgevonden, is een getuige gehoord en zijn appellant en zijn ex-echtgenote,

[Naam ex-echtgenote R] (R), verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de SRF van 31 januari 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij afzonderlijke besluiten van 21 februari 2012 de bijstand van appellant met ingang van 19 januari 2004 in te trekken en de over de periode van 19 januari 2004 tot en met 31 december 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 68.385,15.


1.4.

Bij besluit van 23 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 21 februari 2012 gegrond verklaard, met dien verstande dat de bijstand met ingang van 1 februari 2005 wordt ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd over de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 december 2011 tot een bedrag van € 60.499,65. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te doen dat hij zijn hoofdverblijf niet heeft binnen de gemeente Lelystad als gevolg waarvan hem door die gemeente onterecht bijstand is verleend.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 februari 2005 tot en met 21 februari 2012.


4.2.

Het college heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant gedurende de gehele in geding zijnde periode in Almere bij R woonde en dat appellant daardoor in die periode geen woonplaats had in de gemeente Lelystad. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4711) brengt de vaststelling dat een persoon geen woonplaats heeft in de gemeente waar hij stelt recht op bijstand te hebben mee dat de betrokkene al op die grond geen recht heeft op bijstand jegens het bijstandverlenend orgaan van die gemeente. In dat geval staat niet aan dat orgaan ter beoordeling of de betrokkene in de gemeente waar hij wel woonde een gezamenlijke huishouding voerde. De beoordeling is in dit geval door het college terecht beperkt tot de vraag of appellant ten tijde hier van belang geen woonplaats in de gemeente Lelystad heeft gehad.


4.3.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat de verklaringen die hij en R hebben afgelegd ten overstaan van de SRF niet aan de besluitvorming ten grondslag mochten worden gelegd. Zowel appellant als R hebben de verklaringen afgelegd onder ontoelaatbare druk en zonder dat hen de waarborgen zijn geboden die hen toekomen op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze beroepsgronden slagen niet.


4.3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9827) is het bijstandverlenend orgaan niet gehouden de betrokkene die in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek gericht op de - nadere - vaststelling van het recht op bijstand een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij verdachte in strafrechtelijke zin. Nu het hier niet gaat om een strafrechtelijke procedure, strekt de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het EVRM zich niet uit tot appellant en R (vergelijk de uitspraak van 19 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI6036). Overigens blijkt uit de processen-verbaal van verhoor dat bij de verhoren van appellant en R, in weerwil van wat appellant heeft gesteld, wel de strafrechtelijke waarborgen, zoals de cautie en het recht op raadplegen van een advocaat of de hulp van een tolk, zijn geboden.


4.3.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012,

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in het geval van appellant af te wijken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Van belang daarbij is dat hij een verklaring heeft afgelegd die details bevat omtrent zijn feitelijk verblijf die hij alleen uit eigen wetenschap kon verklaren en dat zijn verklaring steun vindt in overige onderzoeksbevindingen, zoals de verklaring van R en de waarnemingen en observaties. De stelling dat hij snel heeft getekend omdat hij in verband met zijn diabetes snel wilde eten, heeft appellant niet onderbouwd en is ook overigens onvoldoende om aan de juiste weergave van de verklaring te twijfelen. R heeft haar verklaring niet ondertekend. Uit het proces-verbaal waarin haar verklaring is weergegeven, blijkt dat de reden daarvan was dat zij onzeker werd over de inhoud van haar verklaring. Nu ook haar verklaring gedetailleerd is en in grote lijnen overeenstemt met de verklaring van appellant en de waarnemingen en observaties, bestaat geen aanleiding niet uit te gaan van de juistheid van de verslaglegging van wat zij heeft verklaard.


4.4.

De beroepsgrond dat de bevindingen van het onderzoek geen toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat hij gedurende de hele periode vanaf 1 februari 2005 geen woonplaats in de gemeente Lelystad heeft gehad, slaagt wel.


4.4.1.

Anders dan het college heeft aangevoerd, zijn de door appellant en R afgelegde verklaringen, bezien in onderling verband en in samenhang met het waterverbruik op het adres van R vanaf 1 februari 2005, hiertoe onvoldoende. Appellant heeft ten aanzien van zijn feitelijk verblijf op het adres van R niet meer verklaard dan dat hij wisselend verblijft bij vriendinnen en kinderen en op het adres van R, dat hij op het adres van R onregelmatig verblijft, niet kan aangeven hoe vaak hij daar verblijft, alleen als hij ergens anders geen plaats heeft, dat hij sinds 2003 of 2004 de Ramadan op het adres van R viert, dat hij de sleutel van de woning heeft, dat hij altijd al 30%, 40% of 90% van de week op het adres van R heeft verbleven, dat daar geen vaste dagen voor zijn en dat hij sinds het begin (vanaf 1 februari 2005) zijn kleding en medicijnen op dat adres heeft liggen. R heeft ten aanzien van het feitelijk verblijf van appellant op haar adres verklaard dat appellant soms twee dagen, soms drie dagen, soms een week bij haar woont, dat appellant bijna altijd bij haar thuis is, dat dit ongeveer twee jaar is, maar dat zij dit niet precies weet, dat hij vroeger alleen in het weekend kwam, maar nu wel vaker, dat hij bij familie slaapt overal in Nederland, dat hij kleding bij haar heeft liggen, dat er geen post van appellant in haar woning ligt en dat appellant niet bij haar woont. Deze verklaringen bevatten daarom onvoldoende concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat appellant sinds 1 februari 2005 het merendeel van de tijd buiten de gemeente Lelystad verbleef. Anders dan het college heeft aangevoerd, wordt dit niet anders doordat appellant en R hebben verklaard dat zij naar hun gezin en de buitenwereld toe de schijn hebben willen ophouden dat in de woning van R een compleet gezin woont, doordat appellant en R over en weer gezamenlijk auto’s van elkaar gebruikten of doordat het waterverbruik op het adres van R over de te beoordelen periode hoog is te noemen. Uit deze feiten en omstandigheden valt immers over het feitelijk verblijf van appellant niets af te leiden.


4.4.2.

De onderzoeksgegevens bieden wel een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de periode vanaf 1 oktober 2011 hoofdverblijf had buiten de gemeente Lelystad. Hierbij komt zwaarwegende betekenis toe aan de stelselmatige observaties die in deze periode hebben plaatsgevonden bij het adres van R. Tijdens de observaties is gedurende de periode van 6 oktober 2011 tot 5 januari 2012 gezien dat appellant op veel van de dagen en op verschillende tijdstippen van de dag in de woning aanwezig was, dat hij op verschillende momenten van de dag de woning verliet of met een bij hem in gebruik zijnde Nissan bij de woning aankwam en deze vervolgens met een eigen sleutel binnenging. Ook op tijdstippen dat appellant niet is waargenomen, werd de bij hem in die periode in gebruik zijnde Nissan het merendeel van de tijd geparkeerd in de nabijheid van de woning waargenomen. Deze observaties vinden steun in de verklaring van R dat appellant de laatste tijd vaker bij haar verblijft en de verklaring van de dochter van appellant en R op de hoorzitting in bezwaar dat appellant de laatste tijd steeds meer bij haar moeder R verblijft.


4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep ten dele slaagt. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode voor 1 oktober 2011. Het college heeft ter zitting desgevraagd bevestigd geen mogelijkheid te zien tot nader onderzoek over het hoofdverblijf van appellant gedurende deze periode zodat finaal beslist kan worden op grond van de thans aanwezige informatie. Het intrekkingsbesluit van 21 februari 2012 zal dan ook worden herroepen, voor zover dit betrekking heeft op de periode voor 1 oktober 2011.


4.6.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het college niet bevoegd was de over de periode vanaf 1 februari 2005 tot en met 30 september 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt het bestreden besluit met betrekking tot de terugvordering geheel voor vernietiging in aanmerking. Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om voor de terugvordering zelf in de zaak te voorzien. Het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het terugvorderingsbesluit van

21 februari 2012. Dit nieuwe besluit vergt van het college slechts een rekenkundige uitwerking die naar verwachting tussen partijen niet tot een geschil leidt. Daarom is een bestuurlijke lus niet aangewezen.


5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 januari 2013 voor zover dat

betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode 1 februari 2005 tot en met

30 september 2011 en de terugvordering;

- herroept het intrekkingsbesluit van 21 februari 2012 voor zover dat betrekking heeft op de

intrekking van de bijstand over de periode van 1 februari 2005 tot en met 30 september 2011

en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het deel van het vernietigde besluit van

23 januari 2013;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het

bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 21 februari 2012;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 118,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.C.R. Schut en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M. Fleuren




HD