Centrale Raad van Beroep, 28-04-2015 / 13-6880 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1355

Inhoudsindicatie
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van de maanden september tot en met november 2011. De rechtbank heeft het beroep N-O verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De omvang van de beroepsprocedure wordt bepaald door het bezwaarschrift tegen de uitkeringsspecificatie van 23 november 2011, dit is het enige bezwaarschrift van appellant. Het oordeel van de rechtbank moet dan ook worden beperkt tot deze drie maanden. De door appellant genoemde periode van januari 2012 tot en met augustus 2012 kon in beroep dan ook niet aan de orde komen. Proces belang vloeit ook niet voort uit geleden schade.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-28
Publicatiedatum
2015-05-06
Zaaknummer
13-6880 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6880 WWB

Datum uitspraak: 28 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 november 2013, 12/1339 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Het college heeft appellant bij besluit van 17 oktober 2011 met ingang van 16 september 2011 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.


1.2.

De uitkeringsspecificatie van 23 november 2011 heeft betrekking op de maanden september tot en met november 2011. Uit deze specificatie blijkt dat het college op de bijstand van appellant een aantal bedragen heeft ingehouden. Het gaat daarbij om een uitkering op grond van de Ziektewet van de partner van appellant (ZW-uitkering), algemene heffingskorting, vakantiegeld en een door appellant ontvangen persoonsgebonden budget (pgb) ten behoeve van zijn zoon.


1.3.

Bij besluit van 22 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college beslist op het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van 23 november 2011, meer specifiek tegen de inhouding van het pgb-bedrag. Het college heeft naar aanleiding van dit bezwaar besloten om het pgb in de periode van 16 september 2011 tot en met 25 november 2011 niet volledig, maar gedeeltelijk op de bijstand van appellant in te houden. Hierbij is vermeld dat aan appellant een bedrag van in totaal € 570,89 zal worden nabetaald.


1.4.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) appellant met ingang van

16 september 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. In verband daarmee heeft het Uwv appellant bij besluit van 27 september 2012 het volgende meegedeeld. Appellant heeft in de periode van 16 september 2011 tot en met 31 augustus 2012 bijstand van het college ontvangen, terwijl hij in deze periode recht had op een

WW-uitkering. Daarom is de bijstand verrekend met de WW-uitkering over die periode. De totale bruto WW-uitkering bedraagt € 16.586,08. Appellant ontving aan bijstand in totaal

€ 9.941,99. Van het verschil tussen deze bedragen is, na inhouding van loonheffing, een bedrag van € 3.802,90 netto aan appellant overgemaakt.


1.5.

Bij besluit van 20 september 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2012 ingetrokken op de grond dat de WW-uitkering voldoende is om in de kosten van het dagelijks levensonderhoud te voorzien.



2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De omvang van de beroepsprocedure wordt bepaald door het bezwaarschrift tegen de uitkeringsspecificatie van 23 november 2011. Deze specificatie ziet op de maanden september, oktober en november 2011. Het oordeel van de rechtbank moet dan ook worden beperkt tot deze drie maanden. Uit de door de rechtbank gemaakte berekening blijkt dat appellant over de maanden september, oktober en november 2011 meer heeft ontvangen dan de op hem toepasselijke bijstandsnorm minus de niet in geschil zijnde inhoudingen. Op die grond bestaat dus geen procesbelang. Niet is gebleken van door verweerder aan appellant toegebrachte schade, zodat ook hieruit geen procesbelang voortvloeit.


3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Het college heeft een jaar lang pgb ingehouden en niet slechts drie maanden. Ook over de periode januari 2012 tot en met augustus 2012 is pgb ingehouden. Appellant heeft dus nog veel meer ingehouden pgb tegoed van het college. In de periode van september 2011 tot en met augustus 2012 heeft appellant zijn spaargeld gebruikt om de zorg voor zijn zoon te betalen. Het college heeft de berekening van het te verrekenen bedrag aan bijstand niet aan appellant toegestuurd, maar alleen aan zijn gemachtigde. Het gevolg daarvan is geweest dat de gemachtigde, na lezing van deze niet correcte informatie, het nut niet inzag om appellant ter zitting bij te staan. Volgens het Uwv had appellant € 16.586,08 bruto moet ontvangen voor bijstand in de periode van september 2011 tot en met augustus 2012, maar in feite heeft appellant slechts € 12.797,77 netto ontvangen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank heeft haar oordeel terecht beperkt tot de maanden september, oktober en november 2011. Appellant heeft immers een bezwaarschrift ingediend tegen de uitkeringsspecificatie van 23 november 2011, die uitsluitend op die maanden betrekking heeft. Appellant heeft ter zitting van de Raad gesteld dat hij niet alleen bezwaar heeft gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van 23 november 2011, maar tegen alle uitkeringsspecificaties. Uit het bezwaarschrift zelf en het beschikbare dossier blijkt dit echter niet. Appellant heeft buiten het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van 23 november 2011 alleen nog bezwaar gemaakt tegen de specificatie van 25 april 2012. Bij besluit van 5 juli 2012 heeft het college beslist op dit bezwaar. Tegen dat besluit heeft appellant geen beroep ingesteld. Met het bestreden besluit, waartegen appellant wel beroep heeft ingesteld, is alleen beslist op de uitkeringsspecificatie van 23 november 2011. De door appellant genoemde periode van januari 2012 tot en met augustus 2012 kon in beroep dan ook niet aan de orde komen.


4.2.

In vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld zijn uitspraak van 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208, is neergelegd dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.


4.3.

Appellant heeft ter zitting verklaard dat de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gemaakte en op de maanden september, oktober en november 2011 betrekking hebbende berekening juist is. Op basis van deze berekening staat vast dat de WW-uitkering die appellant over deze maanden heeft ontvangen hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm, minus de inhoudingen in verband met ZW-uitkering, heffingskorting en vakantiegeld. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant op die grond geen procesbelang heeft. Appellant kon immers met de beroepsprocedure niet bereiken dat het college hem bijstand over de maanden september, oktober en november 2011 zou gaan nabetalen.


4.4.

Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de hier aan de orde zijnde besluitvorming schade heeft geleden. Dat appellant als gevolg van de inhouding van pgb op zijn bijstand spaargeld heeft moeten gebruiken voor de zorg van zijn zoon en dat zijn gemachtigde niet is verschenen op de zitting van de rechtbank, is niet aan te merken als geleden schade als gevolg van deze besluitvorming. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat hieruit ook geen procesbelang voortvloeit.


4.5.

De hoogte van de nabetaling van het Uwv kon in beroep niet aan de orde komen en levert dus ook geen procesbelang op. Indien appellant het niet eens was met de hoogte van deze nabetaling, had hij bezwaar moeten maken tegen het in 1.4 genoemde besluit van het Uwv van 27 september 2012.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geen procesbelang had bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD