Centrale Raad van Beroep, 30-04-2015 / 13-3191 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1378

Inhoudsindicatie
De korpschef heeft het bezwaar van appellant tegen de brief van 25 juni 2012 ten onrechte ontvankelijk geacht. Met de brief van 25 juni 2012 heeft de korpschef klaarblijkelijk beoogd nogmaals kenbaar te maken dat appellant naar aanleiding van zijn aanvraag om hem een tegemoetkoming in verhuiskosten toe te kennen (slechts) in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten van 50% van de maximale verhuiskostenvergoeding op grond van artikel 29 van het Besluit. Deze brief kan niet gezien worden als een besluit dat op enig ander, zelfstandig rechtsgevolg is gericht, dan reeds was beoogd met het niet ingetrokken zijnde besluit van 22 juli 2011. De vermelding onder de brief van 25 juni 2012 dat daartegen binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt is in dit opzicht niet van betekenis.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-30
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
13-3191 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABKort 2015/197
Uitspraak

13/3191 AW

Datum uitspraak: 30 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

2 mei 2013, 12/4402 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van het algemeen bestuur van de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland (VtsPN), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) het algemeen bestuur van de VtsPN verstaan.

Namens appellant heeft mr. J. van Overdam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Overdam. De korpschef heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam bij de VtsPN en was tewerkgesteld in [plaatsmaam A]. Op 23 augustus 2010 is hij verhuisd van Nijmegen naar een tijdelijke huurwoning in [woonplaats]. Vervolgens heeft op 1 september 2011 de overdracht van een koopwoning in [woonplaats] aan appellant plaatsgevonden. Nadien heeft appellant daarin zijn intrek genomen.


1.2.

Bij besluit van 29 november 2010 heeft de korpschef een aanvraag van appellant om hem een tegemoetkoming in verhuiskosten toe te kennen afgewezen op de grond dat appellant zich niet heeft gevestigd binnen een reisafstand van 20 kilometer van zijn plaats van tewerkstelling. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 22 juli 2011 gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 29 november 2010 herroepen en is beslist dat aan appellant met toepassing van de hardheidsclausule neergelegd in artikel 37 van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie (Besluit) een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt toegekend van 50% van de maximale verhuiskostenvergoeding op grond van artikel 29 van het Besluit.


1.3.

Bij uitspraak van 27 april 2012, 11/2943, heeft de rechtbank Utrecht het tegen het besluit van 22 juli 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in artikel 37 van het Besluit niet is voorgeschreven op welke wijze en in welke mate de korpschef uitvoering moet geven aan de hardheidsclausule, indien hij gebruikmaakt van zijn bevoegdheid in zoverre. Er is dus voor de korpschef geen verplichting om een volledige tegemoetkoming in de verhuiskosten toe te kennen. De korpschef heeft daarom in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om van het gestelde in het Besluit af te wijken door aan appellant een tegemoetkoming in verhuiskosten van 50% toe te kennen. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.


1.4.

Bij brief van 25 juni 2012 heeft de korpschef appellant, met verwijzing naar het besluit van 22 juli 2011, meegedeeld dat hij met de salarisproductie van juli 2012 50% van de maximale tegemoetkoming in verhuiskosten op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit zal ontvangen. Deze tegemoetkoming bedraagt € 2.722,50. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, stellende dat hij niet alleen aanspraak heeft op 50% van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit, maar ook op 50% van de tegemoetkoming in de (verhuis)kosten als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van het Besluit.


1.5.

Bij besluit van 29 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft de korpschef dit bezwaar ongegrond verklaard. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant slechts in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van 50% van de maximale verhuiskostenvergoeding op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef onder b, van het Besluit. Deze tegemoetkoming bedraagt € 2.722,50. De door appellant geclaimde kosten als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van het Besluit komen niet voor een tegemoetkoming in aanmerking, aangezien appellant niet in staat is gebleken zijn aanvraag in zoverre tijdig van een juiste onderbouwing te voorzien. Zo ontbreken offertes van verschillende verhuisbedrijven en andere stukken inzake de transport- en montagekosten en het in- en uitpakken van de inboedel. Uit coulance heeft de korpschef 50% van de door appellant gemaakte dubbele woonlasten als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit vergoed.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat niet is gebleken dat appellant rekeningen en offertes voor het transport, het in- en uitpakken en de (de)montage in bezwaar heeft overgelegd, zodat de korpschef gelet op artikel 31, zevende lid, van het Besluit bevoegd was om de tegemoetkoming in deze kosten af te wijzen.


3. De Raad komt - ambtshalve - tot de volgende beoordeling.


3.1.

Ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling gericht op rechtsgevolg.


3.2.1.

Artikel 29 van het Besluit, voor zover van belang, luidt als volgt:


“1. De tegemoetkoming in verhuiskosten, voor een verhuizing binnen Nederland, bestaat uit een bedrag voor:

a. de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de ambtenaar en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning;

b. de kosten van het in- en uitpakken van de gehele inboedel evenals de kosten van demontage en montage van het meubilair;

c. de noodzakelijk te maken dubbele woonkosten tot maximaal € 600,00 per maand voor een periode van maximaal vier maanden en uitgaande van de kosten van de oude woning;

d. alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten.

2. Voor het vaststellen van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, geldt:

a. het bedrag wordt gesteld op 3% van de berekeningsbasis, bedoeld in artikel 30, voor ieder woon- of slaapvertrek tot een maximum van vier vertrekken die de oude woning telt;

b. de tegemoetkoming bedraagt maximaal € 5.445,00.”

3.2.2.

Artikel 31 van het Besluit, voor zover van belang, luidt als volgt:


“2. De ambtenaar die het transport van zijn inboedel door een verhuizer laat verzorgen, laat het transport uitvoeren op de voor het bevoegd gezag minst kostbare wijze. […]

7. De ambtenaar declareert de kosten van verhuizing en, indien van toepassing, de kosten van dubbele woonlasten zo spoedig mogelijk doch maximaal zes maanden na de verhuizing onder overlegging van de desbetreffende rekeningen en opgevraagde offertes.”


3.2.3.

Ingevolge artikel 37 van het Besluit kan het bevoegd gezag besluiten om in individuele gevallen af te wijken van het gestelde in dit besluit, indien de afwijking strekt tot het vermijden van onbillijkheden van overwegende aard welke uit de toepassing van deze regels zouden voortkomen.


3.3.

Bij het besluit van 22 juli 2011 heeft de korpschef het besluit van 29 november 2010 herroepen en beslist dat aan appellant met toepassing van de hardheidsclausule neergelegd in artikel 37 van het Besluit een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt toegekend van 50% van de maximale verhuiskostenvergoeding op grond van - naar de Raad begrijpt - artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit. Het besluit van 22 juli 2011 kan in het licht van de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen niet anders worden begrepen dan dat daarbij - impliciet - is beslist dat appellant geen aanspraak heeft op de door hem geclaimde kosten als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van het Besluit.


3.4.

Met de onder 1.4 vermelde brief van 25 juni 2012 heeft de korpschef klaarblijkelijk beoogd nogmaals, en naar het oordeel van de Raad zonder noodzaak, kenbaar te maken dat appellant naar aanleiding van zijn aanvraag om hem een tegemoetkoming in verhuiskosten toe te kennen (slechts) in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten van 50% van de maximale verhuiskostenvergoeding op grond van artikel 29 van het Besluit. Gelet op aanhef, inhoud en strekking van genoemde brief kan de Raad dat stuk niet zien als een besluit dat op enig ander, zelfstandig rechtsgevolg is gericht, dan reeds was beoogd met het niet ingetrokken zijnde besluit van 22 juli 2011. Daarom kan de Raad die brief niet aanmerken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De vermelding onder de brief van 25 juni 2012 dat daartegen binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt is in dit opzicht niet van betekenis. De korpschef had het bezwaar van appellant tegen de brief van 25 juni 2012 niet-ontvankelijk moeten verklaren.


3.5.

De rechtbank heeft wat hiervoor onder 3.4 is overwogen niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.


3.6.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het bezwaar tegen de brief van 25 juni 2012

niet-ontvankelijk verklaren.


4. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.960,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het bezwaar tegen de brief van 25 juni 2012 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze

uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 29 oktober 2012;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 395,- vergoedt;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) S.W. Munneke




HD