Centrale Raad van Beroep, 30-04-2015 / 13-5874 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1382

Inhoudsindicatie
Ontslag op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO. Verstoorde verhoudingen en een impasse in de werkrelaties. Betrokkene heeft nog gewerkt en ICT-werkzaamheden verricht binnen de gemeente. Haar leidinggevende heeft haar, daags na het ontslagbesluit, geattendeerd op mogelijk geschikte vacatures bij de gemeente Vlissingen. In het re-integratieplan is als doel omschreven het aanvaarden van een passende functie binnen of buiten de gemeente Vlissingen op of voor 1 februari 2013. Onder deze omstandigheden is de conclusie dat voortzetting van het dienstverband met betrokkene in redelijkheid niet van appellant kan worden gevergd niet gerechtvaardigd. Dat betekent dat appellant niet bevoegd was om betrokkene ontslag te verlenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-30
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
13-5874 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/5874 AW

Datum uitspraak: 30 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

16 september 2013, 13/601 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. B.F.Th. de Moor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J. Brosius, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2015. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Brosius. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. De Moor, W. Arendse en drs. H.W. Moerdijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.2.

Betrokkene is per 1 november 2009 in tijdelijke dienst en per 1 november 2010 in vaste dienst aangesteld als [naam functie A] van de clusters [cluster A] ([cluster A]) en [cluster B] ([cluster B]) van de afdeling [naam afdeling 1] van de gemeente Vlissingen.


1.3.

Op 5 december 2011 heeft betrokkene zich ziek gemeld en te kennen gegeven haar direct leidinggevende taken over te dragen aan iemand anders, omdat met name de medewerkers van [cluster A] het vertrouwen in haar hadden opgezegd en de verhoudingen met de medewerkers van [cluster B] gespannen waren.


1.4.

Bij besluit van 21 december 2011 heeft appellant betrokkene uit haar functie van [naam functie A] ontheven en besloten dat het re-integratietraject gericht zal zijn op het vinden van andere werkzaamheden binnen of buiten de gemeentelijke organisatie. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt en het staat dus in rechte vast.


1.5.

In de periode na 21 december 2011 werd duidelijk dat betrokkene klachten had van een hernia en heeft zij in het kader van re-integratie tijdens ziekte werkzaamheden verricht voor de gemeentelijke [naam afdeling 2]. Vanaf 27 juni 2012 was zij weer volledig arbeidsgeschikt.


1.6.

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft appellant betrokkene met toepassing van artikel 8:6, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met ingang van 1 februari 2013 ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken. Daarbij is uitgegaan van een opzegtermijn van drie maanden en een re-integratietraject als bedoeld in artikel 10d:5 van de CAR/UWO van vier maanden. Appellant zal zich inspannen voor re-integratie binnen of buiten de gemeentelijke organisatie en betrokkene zal feitelijke werkzaamheden verrichten bij de gemeentelijke [naam afdeling 2].


1.7.

De commissie bezwaarschriften gemeente Vlissingen heeft appellant geadviseerd om het bezwaar tegen het ongeschiktheidsontslag gegrond te verklaren. Bij besluit van 17 december 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2012 weliswaar gegrond verklaard, maar, in afwijking van het advies van de commissie, het ontslag met ingang van 1 februari 2013 gehandhaafd op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO. Naar de mening van appellant was al ten tijde van het besluit van 28 juni 2012 sprake van verstoorde verhoudingen en een impasse in de werkrelaties waardoor geen perspectief meer bestaat op een vruchtbare invulling van de aanstelling van betrokkene bij de gemeente Vlissingen. In de periode na 28 juni 2012 zijn de verhoudingen verder verslechterd.


2.1.

Bij uitspraak van 28 februari 2013, 13/600, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant het bestreden besluit geschorst.


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 28 juni 2012 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft overwogen dat er ten tijde van het primaire besluit op 28 juni 2012 geen sprake was van een impasse. De enkele omstandigheid dat er in december 2011 sprake was van verstoorde verhoudingen tussen betrokkene en (enkele) medewerkers van de clusters [cluster B] en [cluster A], maakt niet dat herplaatsen op een andere afdeling binnen de gemeente op voorhand onmogelijk was.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het ontslag is gebaseerd op verstoorde verhoudingen én op een impasse in de werkrelaties. De rechtbank had deze gronden, die elk het ontslag kunnen dragen, afzonderlijk van elkaar moeten beoordelen. Als er al een verplichting tot herplaatsingsinspanningen aangenomen zou moeten worden, wat volgens appellant niet zo is, dan is daaraan voldaan met de toegekende re-integratiefase van vier maanden. Appellant acht ten slotte de aangevallen uitspraak in strijd met de systematiek van de ambtelijke rechtspositie, omdat betrokkene, die uit haar eigen functie is ontheven, door het herroepen van het besluit van 28 juni 2012 is gaan “zweven”. In de rechtspraak is dergelijk “zweven” onacceptabel.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:58) is voor de vaststelling of het bestuursorgaan bevoegd is om tot ontslagverlening over te gaan de situatie ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit bepalend. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op de relevante feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de datum waarop het ontslagbesluit is genomen en dat de situatie op die datum, in dit geval 28 juni 2012, bepalend is.


4.2.Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan de ontslaggrond van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198).


4.3.

Met het in rechte vaststaande ontheffingsbesluit van 21 december 2011 staat vast dat binnen de clusters [cluster B] en [cluster A] sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding en dat terugkeer van betrokkene naar haar eigen functie niet mogelijk is. Anders dan appellant meent is daarmee echter niet al de ontslaggrond gegeven. Het gaat immers om de vraag of van appellant in redelijkheid niet gevergd kan worden om het dienstverband met betrokkene voort te zetten. Dit geldt evenzeer voor ontslag wegens een impasse.


4.4.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft betrokkene op en na 28 juni 2012 nog gewerkt in de gemeentelijke [naam afdeling 2] en ICT-werkzaamheden verricht binnen de gemeente. Haar leidinggevende heeft haar, daags na het ontslagbesluit, op 29 juni 2012 geattendeerd op mogelijk geschikte vacatures bij de gemeente Vlissingen. In het

re-integratieplan van 10 juli 2012 is als doel omschreven het aanvaarden van een passende functie binnen of buiten de gemeente Vlissingen op of voor 1 februari 2013. Onder deze omstandigheden is de conclusie dat voortzetting van het dienstverband met betrokkene in redelijkheid niet van appellant kan worden gevergd niet gerechtvaardigd. Dat betekent dat appellant niet bevoegd was om betrokkene ontslag te verlenen.


4.5.

De na het ontslagbesluit van 28 juni 2012 verrichte re-integratie-inspanningen kunnen hier niet aan afdoen. Anders dan bij een ontslag wegens ongeschiktheid of wegens reorganisatie op grond van artikel 8:6 respectievelijk artikel 8:3 van de CAR/UWO, zoals deze regeling destijds luidde, moet bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO in ieder geval op het moment dat het ontslagbesluit wordt genomen, hier dus 28 juni 2012, duidelijk zijn dat herplaatsen elders binnen de gemeentelijke organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat is te verwachten.


4.6.

Hoewel dit de omvang van het geding te buiten gaat, is, anders dan appellant heeft aangevoerd, ook nadien niet gebleken dat voortzetting van het dienstverband met betrokkene in redelijkheid niet kan worden gevergd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in het verweerschrift in beroep van 4 februari 2013 door appellant opgesomde uitlatingen van betrokkene van na het besluit van 28 juni 2012 in het licht van de ontstane situatie niet als ongepast of onbehoorlijk kunnen worden aangemerkt.


4.7.

Het is juist dat betrokkene, die uit haar functie is ontheven, met de herroeping door de rechtbank van het besluit van 28 juni 2012 “zweeft”. Dit is echter geen reden voor vernietiging van de aangevallen uitspraak. Gelet op de door appellant zelf aangehaalde vaste rechtspraak van de Raad over overplaatsing (uitspraak van 15 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3824), bestaat een overplaatsing uit twee componenten, namelijk het ontheffen uit de eigen functie en het opdragen van een andere, passende, functie. Het is nu aan appellant om, in overleg met betrokkene, haar een andere functie op te dragen. In dit verband is nog van belang dat er geen onderzoek is gedaan naar de oorzaak van de verstoorde verhoudingen binnen de clusters [cluster A] en [cluster B]. Het standpunt van appellant dat betrokkene ook elders binnen de gemeentelijke organisatie niet als leidinggevende zou kunnen functioneren is dan ook niet onderbouwd. Verder heeft betrokkene te kennen gegeven wel een voorkeur te hebben voor een leidinggevende functie, maar ook open te staan voor andere mogelijkheden en heeft zij ook daadwerkelijk op vacatures, intern en extern, gesolliciteerd. Uit het verslag van 20 augustus 2014 van een in opdracht van appellant uitgevoerd onderzoek door bureau Deen blijkt verder dat op een vrij breed terrein functies bestaan waarin betrokkene, gelet op haar ervaring, competenties en interesses, geplaatst zou kunnen worden. De conclusie dat van verdere herplaatsingsinspanningen geen resultaat is te verwachten is dan ook evenmin gerechtvaardigd.


4.8.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand en € 46,- aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.026,-.



Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en C.H. Bangma en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2015.




(getekend) J.N.A. Bootsma




(getekend) C.A.W. Zijlstra



HD