Centrale Raad van Beroep, 07-05-2015 / 14-849 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1448

Inhoudsindicatie
Gebruik van de OV-chipkaart door zoon van boa. Nu het college in alle gevallen, behalve dat van appellante, heeft gemeend te kunnen volstaan met het bekendmaken van de uitkomst van het anonieme onderzoek en een daaraan gekoppelde collectieve waarschuwing, valt niet in te zien waarom niet ook bij appellante met een waarschuwing kon worden volstaan. In de gegeven omstandigheden is niet consistent beslist en is het aan appellante verleende voorwaardelijke strafontslag onevenredig aan de haar verweten gedragingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-07
Publicatiedatum
2015-05-11
Zaaknummer
14-849 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/849 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 december 2013, 13/2615 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. de Bie, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. S.M. van ’t Westende-van der Veen een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Bie. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van ’t Westende-van der Veen en mr. drs. C.M.C. Vrolijk.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is werkzaam bij de Dienst Stadstoezicht. Op 25 augustus 2009 is haar door de Dienst een OV-chipkaart (kaart) uitgereikt, zodat zij vrij kan reizen voor haar werk als bijzonder opsporingsambtenaar (boa) belast met het toezicht en de controle op het juiste gebruik van vervoersbewijzen in het openbaar vervoer. Bij ontvangst van de kaart heeft appellante een schriftelijke verklaring ondertekend dat zij de gebruiksvoorwaarden aanvaardt, waaronder de voorwaarde: “Gebruik van de OV-chipkaart is niet toegestaan voor

privédoeleinden en woon/werkverkeer”.


1.2.

Bij een vervoersbewijscontrole op 25 april 2012 is geconstateerd dat de aan appellante verstrekte kaart werd gebruikt door de toen dertienjarige zoon van appellante. De zoon heeft tegenover de verbalisant verklaard dat hij de kaart van zijn moeder mocht gebruiken.


1.3.

Uit nader onderzoek door een onderzoekscommissie naar het gebruik van de kaart in de periode van 12 januari 2012 tot en met 25 april 2012 is gebleken dat appellante de kaart van 12 januari tot en met 23 februari 2012 vijf maal voor privédoeleinden heeft gebruikt en dat haar zoon van 21 tot en met 25 april diverse malen de kaart heeft gebruikt. Tijdens het gesprek met de onderzoekscommissie heeft appellante vier gevallen van privégebruik, naar haar zeggen uit gemakzucht, erkend; één geval kon zij zich niet herinneren. Van het gebruik door de zoon was zij volgens haar verklaring niet op de hoogte. De zoon zou de kaart ongevraagd hebben weggenomen van de computertafel op de slaapkamer van appellante, waar zij deze bewaarde.


1.4.

Bij brief van 29 mei 2012 heeft het college appellante op de hoogte gesteld van het voornemen haar onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen vanwege het in staat stellen van een derde om gebruik te maken van de haar ter beschikking gestelde kaart en vanwege het persoonlijk onrechtmatig gebruik van de kaart. Bij het verantwoordingsgesprek heeft appellante zich onder meer beroepen op de cultuur op de afdeling: collega’s zouden met enige regelmaat de kaart voor privédoeleinden gebruiken, waarover onderling vrij werd gesproken. Appellante heeft verzocht onderzoek te doen naar deze cultuur.


1.5.

Het college heeft aan Bureau Integriteit (BI) opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar privégebruik van de kaart door medewerkers van de Dienst. Daartoe heeft BI de kaartgegevens van een deel van de 64 medewerkers uit het team van appellante anoniem laten onderzoeken over een vergelijkbare periode als bij appellante was gebeurd. Bij één, mogelijk twee reisbewegingen was sprake van privégebruik zoals bij appellante was geconstateerd. De kaart is echter wel vaak gebruikt door medewerkers voor een deel van het woon-werkverkeer, zo constateerde BI.


1.6.

Bij besluit van 20 november 2012 heeft het college, in afwijking van het voornemen, appellante voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Tot deze lichtere straf is besloten, omdat uit het onderzoek onder medewerkers weliswaar niet is gebleken van een cultuur van gedragingen zoals aan appellante zijn verweten, maar wel van frequent - en evenzeer verboden - gebruik voor woon-werkverkeer.


1.7.

Bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 20 november 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen het ontbreken van een beslissing omtrent de kosten in bezwaar, onder toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar en in beroep en voor het betaalde griffierecht in beroep. Voor het overige heeft zij het beroep ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft op hierna te bespreken beroepsgronden hoger beroep ingesteld. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Uit de aangevallen uitspraak is niet af te leiden of de rechtbank het aan appellante verweten onzorgvuldig handelen met de aan haar toevertrouwde kaart, waardoor haar zoon in staat was daarvan misbruik te maken, als vaststaand plichtsverzuim heeft aangemerkt. Voor zover de rechtbank heeft beoogd dit handelen van appellante niet als plichtsverzuim aan te merken, kan de Raad dit oordeel onderschrijven. De Raad acht het enkele feit dat appellante, volgens haar onweersproken verklaring, de kaart op een tafel in haar slaapkamer had liggen wanneer zij thuis was, niet getuigen van onzorgvuldige omgang met de haar toevertrouwde middelen. Dat zou anders zijn als bijvoorbeeld een inherent gevaarlijk voorwerp, zoals een dienstwapen, in het geding zou zijn, of als haar zoon al eerder misbruik van haar kaart had gemaakt en appellante daarvan op de hoogte was. Dit laatste is gesteld noch gebleken.


4.2.

De Raad stelt voorts vast dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat appellante de kaart mede heeft misbruikt voor het woon/werkverkeer. Dit is niet het geval en het college heeft op dit punt ook geen plichtsverzuim aanwezig geacht.


4.3.

Het vaststaande plichtsverzuim betreft dus uitsluitend het ten hoogste vijf maal voor privédoeleinden misbruiken van de kaart. Appellante heeft dit onrechtmatig gebruik erkend en betwist niet dat dit haar kan worden toegerekend. Zij heeft echter betoogd dat de straf van voorwaardelijk ontslag niet in verhouding staat tot het plichtsverzuim, nu het college haar als enige medewerker heeft bestraft, terwijl uit het anonieme onderzoek is gebleken dat vele collega’s, die ook boa zijn, de kaart eveneens misbruikt hebben. Het college heeft er echter voor gekozen geen nader onderzoek op naam in te stellen naar het door deze collega’s gepleegde misbruik en daar dus ook niet bestraffend tegen op te treden.


4.4.

De Raad onderschrijft dit betoog van appellante. Uit de onderzoeksgegevens, zoals die in hoger beroep desgevraagd door het college zijn ingezonden, blijkt dat bij tien van de negentien anoniem onderzochte kaarten - dus in meer dan de helft van de gevallen - sprake was van misbruik, waarvan twee keer in een gelijke en vier keer in een grotere frequentie dan bij appellante. In twee gevallen was zelfs sprake van bijna dagelijks gebruik voor woon/werkverkeer, met een frequentie van 99 en 40 keer. Desgevraagd is namens het college verklaard dat er tussen privégebruik en gebruik voor woon/werkverkeer geen verschil in ernst wordt aangenomen. Weliswaar heeft het college gesteld dat het GVB niet bereid was de anonieme gegevens op naam herleidbaar te maken, maar het college heeft de stelling van appellante, dat de medewerkers er bij ontvangst van de kaart voor getekend hebben dat het college gemachtigd is tot individueel onderzoek naar de kaart en dat het college dus in staat was geweest tot diepgaander onderzoek, niet overtuigend weerlegd. Nu het college in alle gevallen, behalve dat van appellante, heeft gemeend te kunnen volstaan met het bekendmaken van de uitkomst van het anonieme onderzoek en een daaraan gekoppelde collectieve waarschuwing, valt niet in te zien waarom niet ook bij appellante met een waarschuwing kon worden volstaan. In de gegeven omstandigheden is niet consistent beslist en is het aan appellante verleende voorwaardelijke strafontslag onevenredig aan de haar verweten gedragingen.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van

20 november 2012 is gehandhaafd. Aangezien het besluit van 20 november 2012 hetzelfde gebrek vertoont als het bestreden besluit en dit gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar kan worden hersteld, zal het Raad het besluit van 20 november 2012 herroepen.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 april 2013, voor zover daarbij

het besluit van 20 november 2012 is gehandhaafd;

- herroept het besluit van 20 november 2012;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van €239,-

vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en K.J. Kraan en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) S.W. Munneke




HD