Centrale Raad van Beroep, 08-05-2015 / 13-2677 Wajong - T


ECLI:NL:CRVB:2015:1466

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Aan de gedragsproblematiek ligt een psychiatrische stoornis ten grondslag. Daarmee is sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Afwijzing op de grond dat geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden kan dan ook niet handhaven. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De Raad ziet aanleiding het Uwv opdracht te geven om het geconstateerde gebrek te herstellen door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen op basis van het nieuwe feit van de psychiatrische diagnose van AD(H)D zoals vermeld in de brief van 23 maart 2010.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-08
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-2677 Wajong - T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/2677 Wajong-T

Datum uitspraak: 8 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2013, 11/3146 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft mr. N.J. Brouwer zich als gemachtigde van appellant gesteld en de gronden van het hoger beroep ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2015. Namens appellant zijn verschenen mr. Brouwer en[naam] als zijn gemachtigden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is geboren [in] 1987. Op 4 november 2009 heeft hij een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), met als bijlagen rapporten van Bureau Jeugdzorg uit 2004 en 2006 en een door de stiefmoeder van appellant opgestelde beschrijving uit 2009. Bij besluit van 9 december 2009 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant geen jonggehandicapte is in de zin van de Wajong. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.


1.2.

Op 31 december 2009 heeft appellant opnieuw een aanvraag voor een Wajonguitkering ingediend, welke aanvraag door het Uwv is opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 9 december 2009. Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het Uwv meegedeeld niet terug te komen op het besluit van 9 december 2009 omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Bij brief van 15 april 2010, met als bijlage een brief van PsyQ gedateerd 23 maart 2010, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaar is, blijkens het dossier, vervolgens ingetrokken onder de afspraak dat de brief van 15 april 2010 tevens zal worden opgevat als verzoek om terug te komen van het besluit van 9 december 2009.


1.3.

Bij besluit van 11 augustus 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld niet terug te komen op het besluit van 9 december 2009 omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij het besluit op bezwaar van 5 augustus 2011 (bestreden besluit). Hieraan lag ten grondslag het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een waarschijnlijkheidsdiagnose bij reeds bekende gedragsproblematiek geen medisch nieuw feit is.


1.4.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hierbij heeft hij aangevoerd dat hij door de handelwijze van het Uwv is misleid, waardoor na het besluit van

9 december 2009 geen nieuwe inhoudelijke beoordeling van zijn aanvraag heeft plaatsgevonden. Verder heeft hij aangevoerd dat het Uwv ten onrechte bij het bestreden besluit geen nieuw feit heeft aangenomen in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en er dientengevolge ten onrechte niet alsnog een nieuwe, inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden van de aanvraag van 4 november 2009.


1.5.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij (voor zover van belang) overwogen dat de door appellant aangevoerde grond dat hij door de handelwijze van het Uwv is misleid niet slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht de nieuwe aanvraag van appellant van 31 december 2009 beschouwd als verzoek om terug te komen van het besluit van 9 december 2009. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat het Uwv de brief van 15 april 2010 eveneens als verzoek om terug te komen van dat besluit heeft opgevat niet tot een met minder waarborgen omklede procedure heeft geleid voor appellant ten opzichte van het indienen van een bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2010. Wat betreft het argument van appellant dat uit de brief van PsyQ van 23 maart 2010 blijkt dat bij hem een psychiatrische diagnose is gesteld, waarmee sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb, heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een nieuw feit nu het slechts gaat om een voorlopige diagnose en/of waarschijnlijkheidsdiagnose en de opstellers van het rapport kennelijk van mening waren dat nader onderzoek geboden was om een definitieve diagnose te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv bij het bestreden besluit dan ook mogen weigeren terug te komen van het besluit van 9 december 2009.


2. In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om terug te komen op het besluit van 9 december 2009 en over te gaan tot een nieuwe, inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van 4 november 2009. Uit de brief van PsyQ van 23 maart 2010 blijkt dat appellant sinds zijn puberteit lijdt aan de psychiatrische stoornis AD(H)D die de eerder door Bureau Jeugdzorg in 2004 en 2006 vastgestelde gedragsproblemen verklaart en waardoor appellant beperkingen heeft die ertoe leiden dat hij als jonggehandicapte moet worden aangemerkt in de zin van de Wajong.


3.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.


3.2.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat uit het dossier niet blijkt dat het Uwv appellant heeft misleid door zijn handelwijze en hem hierdoor een hernieuwde, inhoudelijke beoordeling van zijn aanvraag heeft ontnomen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv de nieuwe aanvraag van 31 december 2009 terecht heeft geplaatst in het kader van 4:6 van de Awb. De brief van 15 april 2010 is eveneens terecht opgevat als verzoek om terug te komen van het besluit van 9 december 2009, mede gelet op de intrekking van het bezwaar, waarbij bovendien terecht door de rechtbank is opgemerkt dat appellant hierdoor niet in zijn rechten is geschaad.


3.2.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.


3.3.

In dit geval is duidelijk dat appellant (in elk geval) heeft beoogd met zijn brief van

15 april 2010 dat wordt teruggekomen van het besluit van 9 december 2009, waarbij zijn aanvraag voor een Wajonguitkering van 4 november 2009 is afgewezen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo een verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Allereerst zal dan ook worden beoordeeld of het Uwv het verzoek mocht afwijzen door gebruik te maken van de in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid. Hiertoe dient te worden beoordeeld of het Uwv terecht heeft aangenomen dat de brief van PsyQ van 23 maart 2010 geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat die destijds, bij het nemen van het besluit van

9 december 2009, niet bekend waren noch hadden kunnen zijn en die, waren zij destijds wel bekend geweest, tot een ander besluit hadden kunnen leiden. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.


3.4.

Aan het besluit van 9 december 2009 lag ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts van 4 december 2009. In dit rapport is de verzekeringsarts, op basis van de rapporten van Bureau Jeugdzorg van 2004 en 2006 en zijn bevindingen na het spreekuurcontact met appellant, tot de conclusie gekomen dat weliswaar gedragsproblemen zijn vastgesteld door Bureau Jeugdzorg, maar dat er onvoldoende argumenten waren om te kunnen komen tot een psychiatrische diagnose. Omdat er tot op heden geen diagnose is gesteld, is geen sprake van ziekte of gebrek en is geen sprake van objectiveerbare beperkingen. Uit de brief van 23 maart 2010 blijkt dat na onderzoeken door een psycholoog en psychiater in januari en februari 2010, bij appellant de diagnose Aandachtstekortstoornis/ADHD, overwegend onoplettend type waarschijnlijk is. Deze diagnose is dan ook als voorlopige diagnose gesteld. Aangezien aan het besluit van

9 december 2009 het standpunt ten grondslag lag dat geen sprake was van ziekte of gebrek maar enkel van gedragsproblematiek, is met de in maart 2010 gestelde voorlopige diagnose duidelijk geworden dat aan de gedragsproblematiek (tevens) een psychiatrische stoornis ten grondslag ligt. Daarmee is sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.


3.5.

Gelet op het bovenstaande mocht het Uwv bij het bestreden besluit zijn eerdere besluit van 11 augustus 2010, waarbij het verzoek van appellant van 15 april 2010 was afgewezen op de grond dat geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, dan ook niet handhaven. Het Uwv had het besluit van 9 december 2009 inhoudelijk moeten heroverwegen op basis van de nieuwe diagnose. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust.


3.6.

Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven om het geconstateerde gebrek te herstellen door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen op basis van het nieuwe feit van de psychiatrische diagnose van AD(H)D zoals vermeld in de brief van 23 maart 2010.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) D. van Wijk




MK