Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-6572 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:147

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herzienng. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bij het herzieningsverzoek overgelegde bankafschriften niet kunnen worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.... Dat appellant, naar hij stelt, niet van de verzwegen bankrekening op de hoogte was en niet aan bankafschriften kon komen, doet er op zichzelf niet aan af dat appellant en/of A destijds de beschikking hadden kunnen krijgen over de door het college gevraagde bankafschriften.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
13-6572 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/47
Uitspraak

13/6572 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 oktober 2013, 13/109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Delft, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van Delft heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Delft. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J. Rijkers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 30 juli 2001 heeft het college, voor zover van belang, de over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 31 maart 1998 aan appellant en [naam A] (A), de toenmalige echtgenote van appellant, verleende algemene en bijzondere bijstand ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van fl. 47.902,20. Daarbij heeft het college vermeld dat appellant en A hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze vordering. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat A, ondanks een herhaald schriftelijk verzoek in mei 2001, geen bankafschriften heeft overgelegd van een op haar naam staande bankrekening die zij had verzwegen. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar van A tegen het besluit van 30 juli 2001 ongegrond verklaard, waarna het beroep tegen dat besluit eveneens ongegrond is verklaard. Tegen die uitspraak heeft A geen hoger beroep ingesteld.


1.2.

Appellant heeft, onder toezending van bankafschriften van de destijds verzwegen bankrekening, het college bij brief van 19 april 2012 verzocht om herziening van het besluit van 30 juli 2001. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat aan de hand van de bankafschriften het recht op bijstand van appellant en A alsnog kan worden vastgesteld.


1.3.

Bij besluit van 10 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om herziening afgewezen op de grond dat de bij dit verzoek ingebrachte bankafschriften niet kunnen worden beschouwd als nieuwe feiten of omstandigheden die rechtvaardigen dat het college terugkomt van zijn besluit van

30 juli 2001.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellant van 19 april 2012 strekt ertoe dat het college terugkomt van zijn, in rechte onaantastbaar geworden, besluit van 30 juli 2001.


4.2.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing is. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.


4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet het toetsingskader heeft toegepast dat volgens vaste rechtspraak van de Raad geldt voor herzieningsverzoeken waarbij een duuraanspraak in het geding is. Hij wijst er daarbij op dat de terugvordering moet worden beschouwd als een duuraanspraak van het college.


4.4.

De rechtspraak waarop appellant doelt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

5 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2697), ziet op gevallen waarin het gaat om een tijdens het herzieningsverzoek nog lopende duuraanspraak van de betrokkene en houdt in dat in die gevallen bij de toetsing een onderscheid wordt gemaakt tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zal zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage uitkering is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook een bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst minder zwaarwegend dan voor het verleden.


4.5.

Wat appellant voorstaat, zo begrijpt de Raad, is dat, voor zover het gaat om de terugvordering, voor de periode vanaf de datum van het herzieningsverzoek een minder terughoudende toetsing moet worden gehanteerd die ertoe moet leiden dat de vanaf dat moment nog resterende vordering van het college ongedaan wordt gemaakt. Van een duuraanspraak in de hiervoor bedoelde zin is in dit geval echter geen sprake. Het gaat in het geval van appellant immers om intrekking en terugvordering van bijstand over een periode in een (ver) verleden. Er bestaat geen enkele aanleiding om de in 4.4 beschreven wijze van toetsen analoog toe te passen in de door appellant gewenste zin, nog daargelaten dat die toetsingswijze dan uitsluitend de terugvordering zou omvatten en niet de intrekking, die ook besloten ligt in het besluit van 30 juli 2001 waarvan appellant herziening heeft verzocht. De rechtbank heeft terecht het bestreden besluit getoetst aan de hand van het in 4.2 geschetste toetsingskader. De beroepsgrond dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft toegepast, slaagt dus niet.


4.6.

Ter ondersteuning van zijn verzoek van 19 april 2012 heeft appellant bankafschriften van de verzwegen bankrekening overgelegd over de periode van 1996 tot en met 1998. Appellant heeft aangevoerd dat hij destijds geen weet had van de verzwegen bankrekening van A, dat hij na zijn scheiding geen mogelijkheid had om aan bankafschriften te komen en dat hij pas later kopieën van de bankafschriften heeft ontvangen.


4.7.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bij het herzieningsverzoek overgelegde bankafschriften niet kunnen worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de in 4.2 omschreven zin. Dat appellant, naar hij stelt, niet van de verzwegen bankrekening op de hoogte was en niet aan bankafschriften kon komen, doet er op zichzelf niet aan af dat appellant en/of A destijds de beschikking hadden kunnen krijgen over de door het college gevraagde bankafschriften. Voor zover appellant met de in 4.6 verwoorde beroepsgrond heeft willen betogen dat de bij zijn herzieningsverzoek overgelegde bankafschriften zijn aan te merken als een nieuw gebleken feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, slaagt dat betoog dan ook niet.


4.8.

Uit 4.4, 4.5 en 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.




(getekend) C. van Viegen




De griffier is buiten staat te ondertekenen



HD