Centrale Raad van Beroep, 07-05-2015 / 12-1420 AW-S


ECLI:NL:CRVB:2015:1475

Inhoudsindicatie
Schadevergoeding. Overschrijding redelijke termijn. Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 500,-. De Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie) wordt eveneens veroordeeld tot betaling van € 500,.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-07
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
12-1420 AW-S
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/1420 AW-S

Datum uitspraak: 7 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Staat der Nederlanden, de minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroepen (12/1420 AW en 13/5173 AW) ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 februari 2012, 10/627, en de uitspraak van de rechtbank

Noord-Nederland van 13 augustus 2013, 13/165.

Bij uitspraak van 3 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2264) heeft de Raad op de hoger beroepen beslist. Daarbij is bepaald dat het onderzoek in het geding 12/1420 AW wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om vergoeding van schade met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Staat is aangemerkt als partij in die procedure.

Het college heeft zijn standpunt schriftelijk uiteengezet, waarop verzoeker op 26 september 2014 een reactie heeft gegeven.

De Staat heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven, waarop verzoeker op 19 november 2014 een reactie heeft gegeven.

Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De Raad heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De uitspraak van 3 juli 2014 wordt als hier ingelast beschouwd. De Raad heeft aan de feiten het vermoeden ontleend dat zowel in de bestuurlijke als de rechterlijke fase in het geding 12/1420 AW de redelijke termijn is overschreden. Daarbij is uitgegaan van de aanvang van de redelijke termijn op 7 augustus 2009, de dag waarop het college het bezwaarschrift tegen het besluit van 22 juli 2009 heeft ontvangen.

2.1.

Het college heeft zich, in lijn met de uitspraak van 3 juli 2014, op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in de bestuurlijke fase is overschreden. Het college acht een schadevergoeding van € 500,- voor deze overschrijding redelijk.


2.2.

De Staat heeft - kort weergegeven - uiteengezet dat wordt onderschreven dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat verzoeker in aanmerking komt voor een vergoeding van schade. Daarbij is te kennen gegeven dat een vergoeding van € 500,- redelijk kan worden geacht. De Staat is bereid dit bedrag aan verzoeker te vergoeden.


2.3.

Verzoeker heeft betoogd dat hij al op 12 december 2005 schriftelijk heeft verzocht om zijn functie opnieuw te beschrijven en te waarderen en dat de redelijke termijn in zowel het geding 12/1420 AW als het geding 13/5173 AW aanvangt op 12 december 2005. Dat leidt volgens verzoeker tot een overschrijding van de redelijke termijn in beide gedingen van vier jaar en zeven maanden en dientengevolge tot een aanspraak op schadevergoeding van in totaal € 10.000,-.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 4 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643) vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan.


3.2.

Het enkele feit dat verzoeker al op 12 december 2005 schriftelijk heeft verzocht om zijn functie opnieuw te beschrijven en te waarderen, vormt geen grond om van een ander moment uit te gaan dan het moment waarop verzoeker zijn bezwaarschrift heeft ingediend. Dat moment is in het geding 12/1420 AW 7 augustus 2009.


3.3.

Uitgaande van een overschrijding van de redelijke termijn in het geding 12/1420 AW door het college met vijf maanden en door de Raad met ruim drie maanden, zullen het college en de Staat ieder worden veroordeeld tot vergoeding van schade van een bedrag van € 500,-.


3.4.

Aangezien de Raad alleen in het geding 12/1420 AW het onderzoek heeft heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om vergoeding van schade, komt reeds hierom de vermeende aanspraak van verzoeker op schadevergoeding in het geding 13/5173 AW niet voor honorering in aanmerking. Ten overvloede en ter voorlichting van verzoeker overweegt de Raad in dit verband verder nog dat er geen aanleiding bestond het onderzoek ook in het geding 13/5173 AW te heropenen, omdat - uitgaande ook hier van de aanvang van de procedure met de indiening van het bezwaarschrift - de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Van een overschrijding van de redelijke termijn in het geding 13/5173 is dan ook geen sprake.


4. Aanleiding bestaat om het college en de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 490,- (0,5 punt voor het indienen van de reactie van 26 september 2014 en 0,5 punt voor het indienen van de reactie van 19 november 2014), door het college en de Staat elk voor de helft te betalen.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het college tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan verzoeker van

een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 245,-;

- veroordeelt de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van

verzoeker tot een bedrag van € 245,-.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C.H. Bangma en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) P.W.J. Hospel




HD