Centrale Raad van Beroep, 07-05-2015 / 13-6926 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1489

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum bijstand. Geen bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-07
Publicatiedatum
2015-05-13
Zaaknummer
13-6926 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6926 WWB

Datum uitspraak: 7 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 november 2013, 13/5151 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.P. Glas hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Namens appellant is

mr. Glas verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. Klein-Thijssen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 26 september 2012 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld omdat appellant de door het college gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.


1.3.

Op 7 januari 2013 heeft appellant zich opnieuw gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de WWB.


1.4.

Bij besluit van 1 maart 2013 heeft het college aan appellant bijstand toegekend met ingang van 7 januari 2013 naar de norm voor gehuwden. Het college heeft de aanvraag om bijstand over de periode voorafgaand aan de aanvraagdatum afgewezen en gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.


1.5.

Op 17 maart 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt.


1.6.

Bij besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van 1 maart 2013 gehandhaafd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat aan appellant bijstand is toegekend met ingang van de datum waarop hij zich heeft gemeld. Dat hij zich eerder op 26 september 2012 ook heeft gemeld, doet hieraan niet af, omdat deze datum van melding ziet op de eerste aanvraag, waarop al is beslist.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift van 17 maart 2013 - gelet op de inhoud daarvan - slechts gericht kan zijn tegen het besluit van 1 maart 2013. Het college had het bezwaar niet zo moeten opvatten dat het zich tegen het besluit van 3 januari 2013 richtte.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt dat het college had moeten begrijpen dat zijn bezwaarschrift was gericht tegen het besluit van

3 januari 2013. Hij voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college bijstand met terugwerkende kracht had moeten toekennen. Hij heeft zich al op

26 september 2012 gemeld voor het doen van een aanvraag. Een medewerker van de gemeente, de heer P. van Zon, heeft toegezegd dat hij op een later moment nog bewijsstukken kon inleveren. Andere medewerkers hebben appellant verteld dat het maken van bezwaar tegen de buiten behandeling stelling van de aanvraag niet nodig was en hij dit moest doen tegen het besluit op zijn nieuwe aanvraag.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Anders dan appellant heeft betoogd, kan zijn bezwaarschrift van 17 maart 2013 niet zo worden gelezen dat dit ook is gericht tegen het besluit van 3 januari 2013. Appellant schrijft in dit bezwaarschrift: “Hierbij wil ik bezwaar maken tegen de door u genomen beslissing op mijn aanvraag algemene bijstand op grond van de WWB. Uw beslissing staat in de brief die ik heb ontvangen met als dagtekening 1 maart 2013. Hierin staat dat er is besloten een toekenning te geven vanaf 7 januari 2013. Ik ben het hiermee niet eens (…).” In de laatste alinea van het bezwaarschrift staat: “Met dit bezwaarschrift wil ik bezwaar maken op de toekenningsdatum van 7 januari 2013. (…).” Het bezwaarschrift is gelet hierop gericht tegen het besluit van 1 maart 2013 en de daarin genomen beslissing om met ingang van

7 januari 2013 bijstand toe te kennen. Appellant schrijft in het bezwaarschrift weliswaar ook dat hij verkeerd is voorgelicht over de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen tegen het besluit van 3 januari 2013, maar dat biedt geen aanknopingspunten om het bezwaar zo op te vatten dat dit ook tegen dat besluit is gericht. De stelling dat appellant verkeerd is voorgelicht, dan wel is afgehouden van het maken van bezwaar, kan immers worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of bijstand met terugwerkende kracht moet worden toegekend. De beroepsgrond van appellant slaagt dan ook niet. Omdat deze grond niet slaagt, behoeven de gronden die betrekking hebben op de verschoonbaarheid van het te laat indienen van het bezwaar tegen het besluit van 3 januari 2013 geen bespreking.


4.2.

Appellant stelt dat er bijzondere omstandigheden zijn die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.


4.3.

Appellant voert weliswaar aan dat hij verkeerd is voorgelicht en daarmee is afgehouden van het maken van bezwaar tegen het besluit van 3 januari 2013, maar daarvan geven de stukken geen blijk. In het dossier bevinden zich verklaringen van medewerkers van de gemeente over het contact met appellant. Die verklaringen bieden geen aanknopingspunten die de stelling van appellant ondersteunen. Ook deze beroepsgrond van appellant slaagt niet.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) C.M. Fleuren





MK