Centrale Raad van Beroep, 12-05-2015 / 13-6512 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1496

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering (bijzondere) bijstand. Verlaging bijstand voor de duur van één maand met 40%. Schending inlichtingenverplichting. Hennepkwekerij. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De hoger beroepsgronden zijn een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-12
Publicatiedatum
2015-05-13
Zaaknummer
13-6512 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6512 WWB

Datum uitspraak: 12 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

25 oktober 2013, 12/1166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2015. Namens appellant is verschenen mr. Cools. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Galen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 10 februari 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Op 2 maart 2011 heeft de regiopolitie Brabant Zuid-Oost (politie) in de woning van appellant een hennepkwekerij aangetroffen met 298 hennepplanten. Appellant heeft op

9 maart 2011 tegenover de politie onder meer verklaard dat hij de eigenaar van de hennepplantage is, dat de plantjes 13 dagen oud waren en dat hij nog geen enkele keer heeft geoogst. Vervolgens heeft de sociale recherche team Bijzonder Onderzoek van het dagelijks bestuur (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht en appellant op 11 mei 2011 verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 18 mei 2011.


1.3.

Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het dagelijks bestuur bij besluit van

16 november 2011 de bijstand en de bijzondere bijstand van appellant over de periode van

1 januari 2011 tot en met 2 maart 2011 ingetrokken en de bijstand over deze periode tot een bedrag van € 1.959,09 netto van appellant teruggevorderd. Voorts heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2011 voor de duur van één maand verlaagd met 40%.


1.4.

Bij besluit van 12 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de werkzaamheden in verband met de hennepplantage waardoor het recht op bijstand over de hiervoor vermelde periode niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - overwogen dat het dagelijks bestuur zich bij de vaststelling van de startdatum van de activiteiten,

1 januari 2011, heeft gebaseerd op de verklaring van appellant van 11 mei 2011. Appellant heeft verklaard dat hij dacht in januari 2011 te zijn begonnen met de voorbereidingen voor de kwekerij. Het dagelijks bestuur heeft niet onzorgvuldig gehandeld door, rekening houdende met een zekere voorbereidingstijd en de leeftijd van de aangetroffen plantjes, de aanvangsdatum van de hennepkwekerij vast te stellen op 1 januari 2011. Appellant heeft niet met bewijsstukken onderbouwd dat hij pas in februari 2011 is gestart met de hennepkwekerij. Door het dagelijks bestuur niet van aanvang af op de hoogte te stellen van zijn plannen om een kwekerij te beginnen, heeft appellant met betrekking tot het kunnen leveren van tegenbewijs omtrent de start van de hennepkwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn rekening en risico dienen te blijven. Het dagelijks bestuur heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2011 tot en met 2 maart 2011 niet is vast te stellen zodat het dagelijks bestuur ook bevoegd was om de ten onrechte verleende bijstand in te trekken.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de aanvangsdatum van de hennepkwekerij aanmerkelijk later is dan 1 januari 2011 waardoor de bijstand ten onrechte is ingetrokken vanaf 1 januari 2011. Als gevolg daarvan is het bedrag van de terugvordering te hoog vastgesteld en kan appellant zich evenmin verenigen met de opgelegde maatregel.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat de periode vanaf

20 januari 2011 tot en met 2 maart 2011 niet meer in geschil is zodat het geschil zich beperkt tot de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 januari 2011.


4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 samengevat weergegeven, waarop dat oordeel rust. De opgelegde maatregel is in overeenstemming met de van toepassing zijnde Verordening afstemming en handhaving WWB 2007.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.M. Fleuren





MK