Centrale Raad van Beroep, 12-05-2015 / 13-6323 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1500

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-12
Publicatiedatum
2015-05-13
Zaaknummer
13-6323 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6323 WWB

Datum uitspraak: 12 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2013, 13/3061 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 12 februari 2013 gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van deze aanvraag heeft een klantmanager van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) op 21 februari 2013 een intakegesprek met appellant gevoerd. Appellant heeft onder meer verklaard te wonen aan de [adres] te [plaatsnaam] (opgegeven adres) en dat hij deze woning tijdens zijn verblijf in Argentinië van augustus 2011 tot en met augustus 2012 een periode heeft verhuurd.


1.2.

Naar aanleiding van het intakegesprek en het door appellant op 28 februari 2013 ingediende en ondertekende aanvraagformulier heeft een handhavingspecialist van DWI een onderzoek ingesteld naar onder meer de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft de handhavingspecialist op 27 maart 2013 omstreeks 10:38 uur een oproepbrief gedeponeerd in de brievenbus behorend bij het door appellant opgegeven adres. In die brief heeft de handhavingspecialist appellant opgeroepen zich op 28 maart 2013 om 11:00 uur te melden op het kantoor van DWI en daarbij een geldig identiteitsbewijs mee te nemen. Nadat appellant zonder bericht niet op de oproep was verschenen, heeft de handhavingspecialist op 28 maart 2013 omstreeks 14:10 uur opnieuw een brief in de brievenbus van het door appellant opgegeven adres gedeponeerd. In die brief is appellant opgeroepen om op 2 april 2013 om 11:30 uur alsnog te verschijnen op het kantoor van DWI. Appellant is wederom zonder bericht niet verschenen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 april 2013.


1.3.

Bij besluit van 5 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting door niet op de oproepen van de handhavingspecialist te verschijnen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat hem niet verweten kan worden dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de oproepen, omdat deze hem niet hebben bereikt. Op zijn adres is sprake van een gedeelde brievenbus en hij heeft eerder melding gemaakt van problemen met de postbezorging.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.2.

Vast staat dat appellant tot tweemaal toe geen gehoor heeft gegeven aan oproepen van het college. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt.


4.3.

Uit de rapportage van 4 april 2013 blijkt dat de handhavingspecialist de oproepen voor de gesprekken op 28 maart 2013 en op 2 april 2013 persoonlijk bij appellant in de brievenbus heeft gedaan. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 31 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI1806) mag het bijstandverlenend orgaan er in beginsel van uitgaan dat post die in de brievenbus van het woonadres van de betrokkene wordt gedaan met een uitnodiging de daarop volgende dag te verschijnen, de betrokkene zo tijdig bereikt dat hij aan die uitnodiging gevolg kan geven of om uitstel kan verzoeken. Indien de betrokkene deze voor hem bestemde en op de gebruikelijke wijze bezorgde post niet heeft ontvangen, komt dit voor zijn risico. De enkele stelling van appellant dat hij de oproepen niet heeft ontvangen, is dan ook onvoldoende om hetgeen in de rapportage is vermeld voor onjuist te houden. Daarbij is van belang dat beide brieven juist zijn geadresseerd. Dat huisnummer 10 twee deuren heeft, te weten één deur voor huisnummer 10-huis en één deur voor de huisnummers 10-1, 10-2 en 10-3, zoawls appellant ter zitting door middel van foto’s heeft getoond, betekent niet dat appellant daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat deze brieven niet juist zijn bezorgd door de handhavingspecialist. Op de ter zitting door appellant getoonde foto’s blijkt namelijk niet alleen dat huisnummer 10 twee deuren heeft, maar ook dat naast de deur van het opgegeven adres met huisnummer 10-1 een naambordje met daarop de naam van appellant hangt, wat volgens appellant altijd al zo was.


4.4.

De rechtbank heeft verder ten aanzien van de gestelde problemen bij de ontvangst van de post door de gedeelde brievenbus terecht overwogen dat dit een omstandigheid is die voor risico van appellant komt. Appellant had dit risico kunnen voorkomen door maatregelen te treffen om over zijn post te kunnen beschikken of het college tijdig hierover te berichten. Het eerst ter zitting van de Raad gedane betoog van appellant dat hij aan DWI had gemeld dat hij al geruime tijd problemen heeft met de ontvangst van zijn post, heeft hij niet onderbouwd en hiervoor zijn ook overigens in de stukken geen aanknopingspunten voorhanden.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en J.C.F. Talman en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) R.G. van den Berg




HD