Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 13-4041 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1529

Inhoudsindicatie
Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Beëindiging ZW-uitkering. Het uitgevoerde onderzoek door de verzekeringsartsen was voldoende zorgvuldig en voldoende uitgebreid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
13-4041 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4041 ZW, 13/4043 WIA

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

25 juni 2013, 12/4390 (aangevallen uitspraak 1) en van 18 juli 2013, 12/5779 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Maats, advocaat, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 1 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam als chauffeur witgoed voor 38 uur per week, toen hij op

17 maart 2010 uitviel wegens maagklachten. Appellant heeft in verband hiermee een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 29 maart 2012 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 7 maart 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In dat verband is hem een aantal functies voorgehouden die hij zou kunnen verrichten.


1.2.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 maart 2012 bij besluit van 25 juli 2012 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 juli 2012 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 juli 2012.


1.3.

Op 16 april 2012 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet opnieuw ziek gemeld wegens rugklachten, misselijkheid, vermoeidheid en duizeligheid. Naar aanleiding hiervan heeft hij een ZW-uitkering ontvangen. Op 8 augustus 2012 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft hem met ingang van 14 augustus 2012 geschikt geacht voor één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 13 augustus 2012 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 14 augustus 2012 beëindigd.


1.4.

Bij besluit van 17 oktober 2012 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 augustus 2012 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 oktober 2012.


2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 bij aangevallen uitspraak 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek is gedaan naar de klachten van appellant. Beide verzekeringsartsen hebben appellant gezien en hebben de door appellant overgelegde medische informatie betrokken bij hun oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zorgvuldig gemotiveerd waarom door appellant in bezwaar overgelegde medische stukken niet leiden tot meer beperkingen.


2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 bij aangevallen uitspraak 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische beoordeling in het kader van de Ziektewet heeft plaatsgevonden, voldoende zorgvuldig en dat het daarop gebaseerde bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd uiteen gezet waarom de in beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft tot een ander standpunt.


3.1.

In de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken heeft appellant herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat. Er is sprake van fysieke klachten, in verband met een spastische darm, bloedarmoede, maagklachten en prostaatklachten. Daarbovenop komen de klachten aan zijn nek, schouders en gewrichten. Ook is sprake van psychische klachten. Met deze klachten acht appellant zich niet in staat de geduide functies te verrichten. Ter onderbouwing heeft appellant een aantal medische documenten overgelegd waaruit blijkt dat bij hem een Giardia lamblia infectie is geconstateerd.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


134043 WIA


4.1.

Het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is het oordeel van de verzekeringsartsen en de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 juli 2012 vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden en de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen worden onderschreven.


4.2.

De in hoger beroep overgelegde medische gegevens kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in verband met de maagklachten de belastbaarheid van appellant in de FML is overschat. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een rapport van 24 maart 2015 in reactie op de medische documenten geconstateerd dat de diagnose Giardia lamblia niet uitsluitend de verklaring kan vormen voor de buikklachten van appellant. Ook de Helicobachter infectie in het verleden en het spastisch colon zijn verantwoordelijk voor de buikklachten. De Raad stelt dienaangaande vast dat de verzekeringsartsen hebben onderkend dat bij appellant sprake is van buikklachten en in verband daarmee beperkingen voor arbeid hebben vastgesteld.


4.3.

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 1 wordt eveneens onderschreven.


4.4.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.


115002 ZW


5.1.

In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellant op een ZW-uitkering hebben de verzekeringsartsen van het Uwv de medische toestand van appellant op

14 augustus 2012 vergeleken met zijn belastbaarheid op 7 maart 2012, zoals omschreven in de FML van 12 juli 2012. Het daartoe uitgevoerde onderzoek door de verzekeringsartsen was voldoende zorgvuldig en voldoende uitgebreid. Alle door appellant ervaren klachten alsmede de gegevens van de huisarts, de psycholoog en de MDL-arts zijn bij de beoordeling door de verzekeringsartsen betrokken. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat deze artsen op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant geschikt kan worden geacht voor ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Daarbij is voldoende rekening gehouden met de bij appellant aanwezige objectiveerbare beperkingen. De

ZW-uitkering is terecht per 14 augustus 2012 beëindigd. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.


5.2.

Uit hetgeen in 5.1 is overwogen volgt dat ook dit hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 2 bevestigd dient te worden.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.



(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) G.J. van Gendt



NK