Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 13-1983 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1530

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft niet gemotiveerd dat appellant opleidingen heeft gevolgd die in het verlengde liggen van de opleiding waarvan een diploma wordt verlangd. Het bestreden besluit is niet gebaseerd op een deugdelijke medische respectievelijk arbeidskundige grondslag. De Raad draagt het Uwv op dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit te nemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
13-1983 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/192 met annotatie van M. Koolhoven
Uitspraak

13/1983 WIA-T

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 maart 2013, 12/9888 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, die broodbakker is geweest, heeft zich op 29 oktober 2008 ziek gemeld wegens knieproblemen. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts, die tot de conclusie is gekomen dat appellant als gevolg van zijn knieklachten beperkingen heeft. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 juli 2010. De arbeidsdeskundige is tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een drietal andere functies. Op basis van de aan deze functies te ontlenen verdiencapaciteit heeft de arbeidsdeskundige berekend dat er geen verlies aan verdienvermogen was. Bij besluit van 20 augustus 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 27 oktober 2010 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In bezwaar, beroep en hoger beroep heeft dit besluit stand gehouden (tussenuitspraak van 29 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6212 en uitspraak van 29 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2664).


1.2.

Bij besluit van 27 april 2011 heeft het Uwv, naar aanleiding van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid, appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van 21 februari 2011 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er met ingang van die datum, als gevolg van de fysieke klachten van appellant, anders dan appellant heeft gesteld, geen sprake is van toegenomen beperkingen in vergelijking met de op 29 juli 2010 vastgestelde FML. Bij besluit van 15 juni 2011 heeft het Uwv, naar aanleiding van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid, appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van 5 november 2010 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er met ingang van die datum als gevolg van psychische klachten van appellant, anders dan appellant heeft gesteld, geen sprake is van toegenomen beperkingen in vergelijking met de op 29 juli 2010 vastgestelde FML. In bezwaar, beroep en hoger beroep hebben deze besluiten stand gehouden (zie de in 1.1. vermelde uitspraken). Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag is overwogen dat indeling van appellant in functieniveau 4 aanvaardbaar is.


1.3.

Appellant heeft zich vervolgens per 23 januari 2012 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in verband met het per die datum starten van een revalidatietraject bij het Erasmus Medisch Centrum (EMC) te Rotterdam. Appellant is naar aanleiding van deze melding onderzocht door de verzekeringsarts. In een rapport van 8 maart 2012/10 april 2012 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van knie- en schouderklachten beperkingen heeft. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een FML van

10 april 2012, waarin ten opzichte van de FML van 29 juli 2010 enige extra beperkingen zijn opgenomen in verband met ontstane schouderklachten. Er is geen arbeidsurenbeperking in de FML opgenomen. De verzekeringsarts acht de behandeling niet zo intensief dat urenbeperking in verband met de beschikbaarheid dient te worden aangenomen. De arbeidsdeskundige is in een rapport van 18 april 2012 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een drietal andere functies. Op basis van de aan deze functies te ontlenen verdiencapaciteit heeft de arbeidsdeskundige berekend dat er een verlies aan verdienvermogen is van 22,68%. Bij besluit van 19 april 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 23 januari 2012 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


2.1.

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat er ten onrechte geen urenbeperking in de FML is opgenomen in verband met zijn revalidatie en dat hij de voor enkele functies vereiste opleiding en ervaring niet heeft.


2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellant tijdens de hoorzitting heeft gezien en de beschikking heeft gehad over de door appellant in bezwaar ingebrachte medische informatie uit de behandelende sector, heeft zich in zijn rapport van 5 september 2012 kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Weliswaar is de verzekeringsarts uitgegaan van een te lage frequentie van afspraken met behandelaren in het EMC, maar een hogere frequentie van afspraken leidt niet tot herziening van de urenbelastbaarheid. Nadat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zich eveneens heeft kunnen verenigen met de bevindingen van de arbeidsdeskundige, zij het dat de functie van schadecorrespondent in verband met het vereiste opleidingsniveau is vervallen, heeft het Uwv bij besluit van 12 september 2012 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van

19 april 2012 ongegrond verklaard.


3.1.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de verzekeringsartsen in voldoende mate hebben gemotiveerd waarom een urenbeperking naast de bestaande medische beperkingen voor appellant niet aan de orde is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de functie telefonisch-receptionist niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Herberekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage op basis van de overige functies levert nog steeds een percentage van minder dan 35% op. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.


3.2.

Appellant heeft in hoger beroep de eerder aangevoerde gronden herhaald. Er dient een urenbeperking te worden aangenomen in verband met afspraken met behandelaren, reistijd, oefeningen thuis en recuperatie. Voorts is een functie aan de schatting ten grondslag gelegd waar een mbo-3 diploma voor is vereist. Appellant heeft dat diploma niet. Appellant heeft, tot slot, verzocht om een medische expertise.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Met betrekking tot de vraag of de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geen arbeidsurenbeperking in verband met het revalidatietraject in de FML heeft opgenomen, wordt als volgt overwogen. Het revalidatietraject heeft geduurd van 23 januari 2012 tot medio september 2012. Uit de brief van 29 maart 2012 van revalidatiearts De Brouwer van het EMC blijkt dat de revalidatie zich richt op de schouder en dat daarbij een fysiotherapeut en psycholoog betrokken zijn. Appellant komt ongeveer vier keer per maand naar de fysiotherapie die per keer ongeveer 30 minuten in beslag neemt. Verder is het de bedoeling dat hij zelfstandig thuis oefeningen doet, aldus de revalidatiearts.


4.2.

Appellant heeft daaraan toegevoegd dat hij eens per vier weken een gesprek van een uur heeft met een psycholoog van het EMC en met een maatschappelijk werker. Voorts heeft hij een reistijd van 45 minuten enkele reis en heeft hij tijd nodig om te recupereren.


4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 5 september 2012 gesteld dat een urenbeperking niet is aangewezen op grond van de behandelafspraken. Het betreft qua omvang en tijdstip wisselende contacten met behandelaren. Dat is niet goed in de FML te verwerken. De totale omvang van de behandeling blijft binnen de 30% en wisselend verzuim onder de 30% wordt geacht voor risico van een werkgever te zijn en blijft buiten de FML. Overigens konden behandelafspraken aan het begin of einde van de dag worden gepland waardoor reistijd deels buiten de werktijd valt. De voorgeschreven oefeningen kunnen voor of na werktijd of tijdens de pauzes worden gedaan. Er is geen medische noodzaak om de oefeningen tijdens werktijd te doen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


4.4.

Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd waarom gedurende het revalidatietraject bij het EMC geen aanleiding bestond een urenbeperking aan te nemen. De Standaard verminderde arbeidsduur geeft drie indicaties voor een urenbeperking, waarvan beschikbaarheid er een is. Onder beschikbaarheid wordt verstaan dat iemand als gevolg van zijn ziekte en daarmee samenhangende behandeling feitelijk niet voltijds beschikbaar is om te werken. Het kan dan gaan om poliklinische behandeling in een ziekenhuis. Het aantal uren dat iemand niet kan werken, kan volgens de Standaard op twee gronden worden beperkt. Eén grond is het feitelijk niet aanwezig kunnen zijn van betrokkene. Dit impliceert dat de behandeling noodzakelijkerwijs binnen werktijd moet plaatsvinden. De tweede grond is het niet beschikbaar zijn van betrokkene in verband met voorbereiding op een behandeling, recuperatie en effect van een behandeling op het totale functioneren van cliënt.


4.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 5 september 2012 en van 27 november 2012 aansluiting gezocht bij de grens van 30% ziekteverzuim en om die reden de tijd gemoeid met de revalidatie buiten beschouwing gelaten. Het Uwv heeft verwezen naar de uitspraken van de Raad van 30 mei 2000 (ECLI:NL:CRVB:2000:AE8622) en van 29 augustus 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BB2600). Het geschil spitst zich in deze uitspraken echter toe op de vraag of van een werkgever in verband met het te verwachten ziekteverzuim van betrokkene in redelijkheid kan worden verlangd hem te werk te stellen. Bij een structureel verzuimrisico van circa 30% acht de Raad de grens van wat in redelijkheid nog van een werkgever kan worden verlangd, overschreden en is sprake van strijd met artikel 9, aanhef en onder e, van het destijds geldende Schattingsbesluit. Deze rechtspraak ziet niet op de vraag of een urenbeperking in de FML moet worden opgenomen doch op de vraag welke functies aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd nadat de FML is vastgesteld. Om die reden ontbeert het bestreden besluit een draagkrachtige motivering. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt in rechte geen stand kan houden.


4.6.

Appellant heeft voorts gesteld dat de functie transportplanner (Sbc-code 484010) een diploma-eis kent, te weten diploma mbo-niveau 3, welk diploma appellant niet heeft. Op dit punt wordt het volgende overwogen. In de uitspraak van 29 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2664) heeft de Raad weliswaar geoordeeld dat aan de schatting van de arbeidsongeschiktheid van appellant functies met een functieniveau 4 ten grondslag mogen worden gelegd doch de Raad heeft in die uitspraak niet geoordeeld over een diploma-eis, zoals in de functie transportplanner aan de orde is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 september 2012 gesteld dat mag worden uitgegaan van opleidingsniveau 5. Op grond daarvan kan niet zonder meer gesteld worden dat functies waarvoor havo/vwo of een vergelijkbare theoretische opleiding op mbo-niveau is vereist, voor appellant toegankelijk zijn. Wel als de functies liggen op het terrein waarvoor appellant een opleiding heeft gevolgd of daarmee vergelijkbaar maar niet als werkervaring ontbreekt, aldus de arbeidskundige bezwaar en beroep.


4.7.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals neergelegd in onder andere ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8094, kan een functie waarvoor een diploma-eis wordt gesteld niet aan een verzekerde worden opgedragen indien die verzekerde niet beschikt over het vereiste (of een daarmee ten minste gelijk te stellen) diploma. De Raad heeft daarbij overwogen dat een strikte diploma-eis niet kan worden gecompenseerd door een (andere) opleiding al dan niet aangevuld met een door de betrokken arbeidsdeskundige van belang geachte praktische ervaring. De Raad heeft hieraan in zijn uitspraak van 11 juli 2000 (ECLI:NL:CRVB:2000:AE8596) toegevoegd dat onder omstandigheden aan een diploma-eis kan worden voldaan indien de verzekerde een opleiding heeft gevolgd die in het verlengde ligt van de opleiding waarvoor een diploma wordt verlangd en die opleiding weliswaar niet met een diploma heeft afgesloten, maar daarin wel geacht kan worden een zodanige kennis te hebben opgedaan dat de opleiding met de gestelde diploma-eis gelijk kan worden gesteld. Tot een dergelijke gelijkstelling kan echter naar het oordeel van de Raad niet lichtvaardig worden geconcludeerd. Daarbij speelt een rol dat een diploma slechts wordt behaald nadat aan een algemeen geldende toets wordt voldaan, wat niet geldt voor een voortijdig afgebroken opleiding. De Raad heeft er hierbij op gewezen dat in onderwijskundig opzicht dient te zijn aangetoond en daarmee boven twijfel verheven dient te zijn, dat de opgedane kennis ten minste gelijk is aan die welke benodigd is voor het behalen van het voor de functie vereiste diploma.


4.8.

Niet in geschil is dat gedaagde niet beschikt over het voor de vervulling van de functie van transportplanner vereiste diploma mbo-niveau 3. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft niet gemotiveerd dat appellant opleidingen heeft gevolgd die in het verlengde liggen van de opleiding waarvan een diploma wordt verlangd. Dit betekent dat het bestreden besluit ook op dit punt in rechte geen stand kan houden.


5. In 4.4 en 4.8 is geconcludeerd dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een deugdelijke medische respectievelijk arbeidskundige grondslag. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene Wet bestuursrecht het Uwv op te dragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit te nemen over de in geding zijnde datum, te weten 23 januari 2012.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) P. Uijtdewillegen





MK