Centrale Raad van Beroep, 12-05-2015 / 14-1171 WIJ


ECLI:NL:CRVB:2015:1541

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering algemene en bijzondere bijstand. Meerdere periodes. Schending inlichtingenverplichting. Onduidelijkheid omtrent woon- en verblijfplaats, zodat recht op uitkering niet is vast te stellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-12
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
14-1171 WIJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1171 WIJ

Datum uitspraak: 12 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van

26 augustus 2013, 13/301 (aangevallen tussenuitspraak) en van 16 januari 2014, 13/301 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.F. Briedé, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2015. Appellante is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M.M. Adema.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving met ingang van 15 oktober 2009 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf 13 december 2010 ontving appellante tevens bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van kinderopvang. Appellante heeft in het kader van haar aanvragen om een inkomensvoorziening en bijzondere bijstand opgegeven dat zij woonde bij haar moeder op de [adres 1] te [plaatsnaam 1], op welk adres zij tot 5 april 2011 ook in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen) stond ingeschreven. Appellante stond vanaf 5 april 2011 in de GBA ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 1], op welk adres zij een kamer huurde. De inkomensvoorziening is met ingang van 1 januari 2012 omgezet naar bijstand op grond van de WWB.


1.2.

Bij besluit van 20 februari 2012 heeft het college de bijstand van appellante, na opschorting van het recht op bijstand met ingang van 24 januari 2012 op de grond dat appellante geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor een gesprek, met ingang van de opschortingsdatum ingetrokken omdat appellante ook niet is verschenen op de in het opschortingsbesluit genoemde afspraak van 30 januari 2012. Appellante heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt.


1.3.

Appellante heeft vervolgens een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend en daarbij opgegeven dat zij woonde bij [naam opvang] aan de [adres 3] te [plaatsnaam 1], op welk adres appellante tot en met 26 juli 2012 ook in de GBA stond ingeschreven. Bij besluit van 11 mei 2012 heeft het college aan appellante vanaf 5 maart 2012 opnieuw bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.4.

Appellante heeft op 26 juni 2012 een huurovereenkomst getekend voor een zelfstandige woning aan de [adres 4] te [plaatsnaam 1], op welk adres zij vanaf 26 juli 2012 ook in de GBA ingeschreven staat. Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het college aan appellante bijzondere bijstand voor woninginrichting en opknapkosten van haar woning aan de [adres 4] toegekend.


1.5.

Nadat appellante op 23 mei 2012 vanuit [plaatsnaam 2] vanaf een vast nummer tijdens een telefonisch contact met de afdeling Sociale en Economische Zaken van de gemeente [plaatsnaam 1] had meegedeeld dat dit haar vaste nummer is, heeft een fraudepreventiemedewerker een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende inkomensvoorziening en bijstand (uitkeringen). In dit kader heeft de fraudepreventiemedewerker onder meer dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd, bewoners en buren van het adres [adres 2] gehoord en appellante op 8 augustus 2012 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 augustus 2012.


1.6.

Bij besluit van 21 september 2012 heeft het college de uitkeringen en de bijzondere bijstand voor de kosten van kinderopvang van appellante over de periode van 1 januari 2011 tot en met 23 januari 2012 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van uitkeringen en bijzondere bijstand teruggevorderd. Voorts heeft het college de algemene bijstand en de bijzondere bijstand voor kinderopvang vanaf 18 juli 2012 ingetrokken en de over de periode van 18 juli 2012 tot en met 31 juli 2012 gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand teruggevorderd. Ten slotte heeft het college ook de aan appellante toegekende bijstand voor woninginrichting en opknapkosten ingetrokken en teruggevorderd. Het totale bedrag van deze terugvorderingen heeft het college vastgesteld op een bedrag van € 32.912,20.


1.7.

Bij besluit van 6 december 2012 (bestreden besluit), heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2012, met verbetering van de motivering van dat besluit, ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij in de in 1.6 genoemde perioden in geding niet woonde op de door haar opgegeven adressen. Nu niet duidelijk is waar zij heeft verbleven, is haar woon- en verblijfplaats en daarmee ook het recht op uitkering niet vast te stellen.


2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank ten aanzien van de intrekking en terugvordering van de uitkeringen en bijzondere bijstand over de periode van 1 januari 2011 tot en met 23 januari 2012 geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante niet haar hoofdverblijf had op de door haar opgegeven adressen. Ten aanzien van de periode van 18 juli 2012 tot en met 24 september 2012 (datum verzending primaire besluit) heeft de rechtbank overwogen dat de intrekking van de algemene en bijzondere bijstand niet gedurende de gehele te beoordelen periode op voldoende feitelijke grondslag berust. Uit informatie van de gezinscoach van [naam opvang] blijkt dat appellante tot 19 juli 2012 bij [naam opvang] aan het adres [adres 3] heeft verbleven, zodat de intrekking van de bijstand per 18 juli 2012 niet in stand kan blijven. Verder blijkt uit de verklaringen van appellante dat zij na haar vertrek van de [adres 3] bij een vriendin, een zus of in [naam opvang] of [plaatsnaam 2] heeft verbleven en in augustus 2012 enige tijd met haar vader in de woning aan de [adres 4] heeft geklust voordat zij in die woning is gaan wonen. Nu appellante op 8 augustus 2012 heeft verklaard dat zij niet woonachtig was op laatstgenoemd adres en deze woning nog geheel leeg was, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat zij kort na die datum in die woning is gaan wonen. Gelet op haar verklaring dat zij in augustus 2012 nog in de woning heeft geklust, acht de rechtbank het aannemelijk dat appellante per 1 september 2012 daadwerkelijk is gaan wonen op de [adres 4]. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit, waar het ziet op de intrekking van het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting en opknapkosten, niet berust op een deugdelijke motivering omdat de enkele omstandigheid dat appellante niet op de datum van inschrijving in het GBA op het adres [adres 4] is gaan wonen, geen grond voor intrekking van deze bijzondere bijstand is. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.


2.2.

Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen tussenuitspraak op 26 september 2013 een nader besluit op het bezwaar genomen (nader besluit). In het nader besluit heeft het college het bestreden besluit aldus gewijzigd dat de periode van intrekking en terugvordering van de algemene bijstand en de bijzondere bijstand, voor zover deze is verleend voor kosten van kinderopvang, is beperkt tot de periode van 19 juli 2012 tot 1 september 2012. Het totale bedrag van de terugvordering is nader bepaald op € 28.518,94. Voorts heeft het college de intrekking en de terugvordering van de bijzondere bijstand voor woninginrichting en opknapkosten ongedaan gemaakt.


2.3.

De rechtbank heeft in de aangevallen einduitspraak geoordeeld dat het college met het nader besluit de gebreken in het bestreden besluit heeft hersteld. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met uitzondering van het deel dat ziet op de intrekking van de uitkeringen en bijzondere bijstand over de periode van 1 januari 2011 tot en met 23 januari 2012. De rechtbank heeft het beroep, voor zover het is gericht tegen het nader besluit, ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak gekeerd. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij, afgezien van korte periodes waarin zij geen ander alternatief had, steeds gewoon op de adressen heeft gewoond conform de inschrijving in de GBA.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


periode van 1 januari 2011 tot 5 april 2011; [adres 1]


4.1.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante er niet in is geslaagd de onduidelijkheid over haar woon- en verblijfsituatie weg te nemen. Niet in geschil is immers dat appellante vanaf januari 2011 niet langer woonde bij haar moeder op het adres [adres 1]. Evenmin is in geschil dat appellante hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college.


4.1.2.

De beroepsgrond van appellante dat zij vanaf januari 2011, totdat zij een kamer op de [adres 2] kon huren, bij haar vader heeft verbleven, zodat voldoende duidelijkheid bestaat over haar feitelijke woon- en verblijfsituatie, heeft appellante niet onderbouwd en slaagt niet. Daarbij komt dat appellante op 8 augustus 2012 heeft verklaard dat zij begin 2011 op meerdere adressen heeft verbleven. Zij heeft voorts verklaard dat zij problemen had met haar vader en slechts af en toe bij hem heeft verbleven omdat zij geen andere keus had. Verder heeft appellante verklaard dat zij begin 2011 gebruik heeft gemaakt van verschillende adressen van haar zus en vriendinnen in [naam opvang] en [plaatsnaam 1].


periode van 5 april 2011 tot 24 januari 2012; [adres 2]


4.2.1.

Vaststaat dat appellante van 5 april 2011 tot 7 maart 2012 op het adres [adres 2] in de GBA ingeschreven stond. Op dit adres stonden naast appellante en haar dochter nog vijf personen ingeschreven, te weten de familie [H.], bestaande uit vader, moeder, twee kinderen en een grootmoeder. Appellante heeft over deze periode verklaard dat zij voor haar en haar dochter een kamer heeft gehuurd voor € 150,- per maand. Zij betaalde dit bedrag contant. Het is het adres van een kennis van haar vader, die daar met zijn gezin woont. Zij dacht dat die kennis daar met zijn vrouw en drie kinderen woonde, maar weet niet hoe de vrouw en de kinderen heten of hoe oud ze zijn. Zij was veelal niet op de [adres 2], in de weekenden meestal niet, en mocht er drie à vier dagen of nachten zijn. Ze maakte geen gebruik van de douche en keuken met uitzondering van de waterkoker in verband met het verwarmen van de flessen melk voor haar dochter. Zij vertrok ’s morgens vroeg van dit adres en kwam later ’s avonds weer terug. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij vanaf

23 januari 2012 geen vaste verblijfplaats had, terwijl zij wel ingeschreven bleef op de [adres 2].


4.2.2.

Uit de onderzoeksbevindingen blijkt verder dat twee fraudepreventiemedewerkers op 16 januari 2012 een bezoek hebben gebracht aan dit adres en hebben gesproken met [O.] w/v [H.]. Zij verklaarde appellante noch de dochter van appellante te kennen. Bij een tweede bezoek op 17 januari 2012 werd de deur geopend door een jongen van ongeveer tien jaar die eveneens verklaarde appellante en haar dochter niet te kennen. Op 10 augustus 2012 hebben twee fraudepreventiemedewerkers nogmaals een bezoek aan dit adres gebracht en gesproken met A. [H.] (H). Zij verklaarde dat appellante en haar kindje ongeveer een jaar bij haar hebben gewoond in de periode van maart/april 2011 tot en met april 2012.


4.2.3.

Uit de verklaringen van appellante en H blijkt dat appellante in de periode van 5 april 2011 tot januari 2012 niet haar feitelijke woon- en verblijfplaats heeft gehad op het adres [adres 2]. H heeft verklaard dat appellante er overdag nooit was en hooguit drie tot vier nachten per week bij hen heeft geslapen, dat zij ’s morgens vroeg weg ging en ’s avonds laat thuis kwam, dat zij geen televisie, radio of computer op haar kamer had en geen eigen spullen voor in de keuken en dat zij geen gebruik maakte van de voorzieningen in de woning, zoals de keuken, douche en de woonkamer. De verklaringen van H en appellante komen in dit opzicht in grote mate overeen. Ook appellante heeft verklaard dat zij geen gebruik maakte van de voorzieningen in de woning. Appellante heeft verder verklaard dat zij en haar dochter in deze periode ook gebruik maakte van andere adressen. Zo maakte appellante gebruik van de douche bij een vriendin van haar van wie zij de achternaam en het adres niet heeft willen noemen en bleef de dochter van appellante ook wel slapen bij de moeder van appellante. Voorts hebben de buren van H op 10 augustus 2012 verklaard dat zij in de periode april 2011 tot en met april 2012 wel eens een jonge vrouw met een kind hebben gezien op het adres [adres 2], maar dat het kind vaak werd achtergelaten alsof het naar een oppas werd gebracht en dat geen sprake was van permanente bewoning door een jonge vrouw met een kind.


4.2.4.

Appellante heeft geen verifieerbare gegevens verstrekt over haar daadwerkelijke

woon- en verblijfsituatie in die periode. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat ook ten aanzien van deze periode onduidelijkheid over de woon- en verblijfsituatie van appellante is blijven bestaan.


periode van 19 juli 2012 tot 26 juli 2012; [adres 3]


4.3.1.

Appellante heeft in de periode van 7 maart 2011 tot 26 juli 2012 ingeschreven gestaan op het adres [adres 3], een opvangadres van [naam opvang]. Uit informatie van de gezinscoach van appellante blijkt dat appellante tot 19 juli 2012 heeft verbleven bij [naam opvang] en dat zij op 2 juli 2012 de sleutel heeft gekregen van de woning aan de [adres 4].


4.3.2.

De beroepsgrond van appellante dat zij ook na 19 juli 2012 nog enige tijd bij [naam opvang] heeft verbleven omdat zij nog niet in haar nieuwe woning terecht kon, heeft zij niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de informatie van de gezinscoach. Daarbij komt dat appellante op 8 augustus 2012, op de vraag wanneer zij voor het laatst op de [adres 3] is geweest, heeft verklaard dat zij dacht dat dit in juni of juli is geweest. Na de [adres 3] is zij bij een vriendin, een zusje of in [naam opvang] of in [plaatsnaam 2] geweest, maar de adressen weet zij niet. Daarmee berust het standpunt van het college dat de woon- en verblijfsituatie van appellante ook in deze periode onduidelijk is op voldoende feitelijke grondslag.


periode van 26 juli 2012 tot 1 september 2012; [adres 4]


4.4.

Vaststaat dat appellante in deze periode ingeschreven stond in de GBA op het adres [adres 4]. De beroepsgrond dat aannemelijk is dat zij vanaf het moment van inschrijving in de GBA ook woonde op dit adres, slaagt niet. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de verklaring van appellante op 8 augustus 2012 waaruit blijkt dat zij op dat moment nog niet woont op dit adres en het huis nog kaal is. Appellante heeft ter zitting van de rechtbank verklaard enkele weken te hebben geklust in de woning. Ter zitting heeft appellante bovendien desgevraagd geen nadere duidelijkheid kunnen geven over de datum waarop zij feitelijk in de woning is gaan wonen. De beroepsgrond van appellante dat de datum met ingang waarvan zij feitelijk verblijft in haar woning arbitrair is en daarom eerder gesteld moet worden dan 1 september 2012, slaagt dan ook niet.


de intrekking van de bijzondere bijstand voor kinderopvang


4.5.1.

Appellante heeft aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat de bijzondere bijstand voor de woninginrichting wel moest worden verleend maar de bijzondere bijstand voor de kinderopvang niet. Ook de laatstgenoemde kosten zijn immers daadwerkelijk gemaakt.


4.5.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft niet geoordeeld dat de bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting en opknapkosten moest worden verleend, maar dat de door het college gehanteerde afwijzingsgrond ondeugdelijk was. Dat het college in de tussenuitspraak aanleiding heeft gezien het besluit tot intrekking en terugvordering van deze bijzondere bijstand te herroepen leidt niet tot de conclusie dat dit ook ten aanzien van de bijzondere bijstand voor kinderopvang dient te gebeuren. Met betrekking tot de perioden waarover de bijzondere bijstand voor kinderopvang is ingetrokken heeft het college niet kunnen vaststellen of appellante in die periodes in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, zodat deze intrekking op goede gronden berust.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en J.C.F. Talman en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) R.G. van den Berg




HD