Centrale Raad van Beroep, 21-05-2015 / 13-6664 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1569

Inhoudsindicatie
In het kader van de financiële afwikkeling van het ontslag heeft de korpschef ten onrechte een bedrag van appellant teruggevorderd. De korpschef heeft dit erkend en uiteengezet dat appellant per saldo nog aanspraak maakt op een nabetaling. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij aanspraak heeft op meer verlofuren. Het bestreden besluit wordt mede aangemerkt als de impliciete weigering om aan appellant een uitkering om redenen van werving of behoud op grond van artikel 26 van het Besluit bezoldiging politie te verlenen. Appellant heeft niet voldaan aan de beleidsvoorwaarde dat hij vanaf 30 september 2008 tot op 30 september 2011 onafgebroken werkzaam is geweest.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-21
Publicatiedatum
2015-05-26
Zaaknummer
13-6664 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6664 AW, 14/934 AW

Datum uitspraak: 21 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 november 2013, 13/830 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De korpschef heeft tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft zijn zienswijze omtrent het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

De korpschef heeft desgevraagd nadere informatie aan de Raad verstrekt. Appellant heeft hierop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.A. Nathans.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van senior informatierechercheur bij het Flexibel Informatie en Expertiseteam Mensenhandel van de Dienst Nationale Recherche van het Korps landelijke politiediensten. Bij besluit van

16 mei 2012 is hem disciplinair ontslag verleend. Bij uitspraak van 18 september 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3072) heeft de Raad, voor zover thans van belang, dit ontslag gehandhaafd en de ingangsdatum van het ontslag bepaald op 1 juli 2012.

1.2.

Bij besluit van 3 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 januari 2013 (bestreden besluit), is in het kader van de financiële afwikkeling van het ontslag een bedrag van € 1.095,62 van appellant teruggevorderd.

2. Na een tussenuitspraak, een nadere motivering van het bestreden besluit door de korpschef en een schriftelijke reactie van appellant heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

De korpschef heeft het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ter zitting ingetrokken. Dit betekent dat alleen het hoger beroep van appellant nog ter beoordeling voorligt.

3.2.

De korpschef heeft erkend dat het besluit van 3 oktober 2012 niet in stand kan blijven en uiteengezet dat appellant per saldo nog aanspraak maakt op een nabetaling van € 633,91.

3.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van de nabetaling te laag is. Hij heeft hiertoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Zijn verloftegoed was veel groter dan waarvan de korpschef bij de berekening is uitgegaan. Hem is in 2010 schriftelijk toestemming verleend om de niet gebruikte verlofuren van het oude naar het nieuwe jaar over te hevelen. Ook is in 2008 een schriftelijke afspraak gemaakt dat hij 38 opgebouwde meeruren in het kader van het onderzoek ‘Malachiet’ op een later tijdstip uitbetaald zou krijgen. Beide stukken bevonden zich in de locker op zijn werk. Dat hij als gevolg van het toegangsverbod zijn locker niet zelf heeft kunnen ontruimen en deze stukken als gevolg van de ontruiming van de locker door de korpschef zijn kwijt geraakt, dient voor rekening van de korpschef te komen. Hiernaast heeft de korpschef hem ten onrechte geen uitkering van € 2.500,- voor werving en behoud verleend. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de korpschef hem tevens een compensatie moet bieden voor het aan de korpschef toe te rekenen verlies van persoonlijke spullen uit zijn locker.

De verlofuren


3.4.

De Raad stelt vast dat de korpschef aan de hand van de saldokaarten over 2009 en 2010 een overzicht heeft gemaakt waaruit volgt dat het aantal verlofuren aan het eind van het dienstverband 276,30 uur bedroeg. De korpschef heeft hieraan nog 7,2 uur toegevoegd vanwege verlof in het kader van appellants 40-jarig ambtsjubileum op 1 april 2012. Dat hij op grond van stukken aanspraak maakt op meer verlofuren, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. De korpschef heeft verklaard niet bekend te zijn met de onder 3.3 bedoelde schriftelijke afspraken. Verder heeft appellant de gestelde aanspraken ook niet op andere wijze onderbouwd. Er is geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat door toedoen van de korpschef stukken zijn kwijtgeraakt.

De uitkering om redenen van werving of behoud

3.5.

Met instemming van de korpschef en met het oog op een definitieve geschilbeslechting zal de Raad het besluit van 3 oktober 2012 mede aanmerken als de impliciete weigering om aan appellant een uitkering om redenen van werving of behoud op grond van artikel 26 van het Besluit bezoldiging politie te verlenen. Met de korpschef is de Raad van oordeel dat appellant die uitkering terecht is geweigerd, nu hij niet heeft voldaan aan de beleidsvoorwaarde dat hij vanaf 30 september 2008 tot op 30 september 2011 onafgebroken werkzaam is geweest. Appellant is immers in september 2010 buiten functie gesteld. Dat appellant wel een gratificatie is verleend voor zijn ambtsjubileum op 1 april 2012, zoals appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Daarvoor geldt een ander beoordelingskader.


De compensatie voor het verlies van persoonlijke spullen


3.6.

De in hoger beroep betrokken stelling van appellant dat de korpschef hem tevens een compensatie moet bieden voor het aan de korpschef toe te rekenen verlies van persoonlijke spullen uit zijn locker, valt buiten de omvang van het geding. De Raad zal die stelling dan ook onbesproken laten.

3.7.

Uit 3.1 tot en met 3.6 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 18 januari 2013 in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van

3 oktober 2012 herroepen, vaststellen dat appellant in het kader van de financiële afwikkeling van zijn ontslag aanspraak maakt op een nabetaling door de korpschef van € 633,91 en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 18 januari 2013.

4. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en hoger beroep. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 490,- in bezwaar en op € 1.470,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van

het vernietigde besluit van 18 januari 2013 in stand blijven;- herroept het besluit van 3 oktober 2012, stelt vast dat de korpschef in het kader van de

financiële afwikkeling van zijn ontslag aan appellant een bedrag van € 633,91 dient te

betalen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

18 januari 2013;- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 239,-

vergoedt;- veroordeelt de korpschef in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.M. Fleuren




HD