Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 13-6307 WWB-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1608

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Over de periode van 14 januari 2010 tot en met mei 2010 is geen bijstand betaald, zodat over die periode niet kan worden teruggevorderd. Niet duidelijk is of het college daarmee rekening heeft gehouden. Ten onrechte heeft het college voorts geen berekening aan het teruggevorderde bedrag ten grondslag gelegd, aldus appellant. Deze beroepsgrond slaagt. Het college wordt in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen. Het college zal een berekening moeten maken, waarbij de hoogte van de terugvordering inzichtelijk wordt gemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
13-6307 WWB-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6307 WWB-T

Datum uitspraak: 26 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 18 november 2013, 13/7200 en 13/8474 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Dreiling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Voor appellant is

mr. Dreiling verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Bos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Het college heeft appellant bij besluit van 1 juni 2010 met ingang van 9 september 2009 bijstand verleend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Omdat appellant met een bedrijf stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK), waarmee hij nog bedrijfsactiviteiten verrichtte, heeft het college appellant in hetzelfde besluit aanvullende verplichtingen opgelegd. Zo moet appellant het college zo volledig mogelijk inlichten over inkomsten en uitgaven als zelfstandige, uiterlijk zes maanden na afloop van het boekjaar de administratie van dat boekjaar overleggen en, indien hij na 14 januari 2011 nog steeds bijstandsafhankelijk is, zich uitschrijven bij de KvK. Bij besluit van 28 december 2011 heeft het college de bijstand met ingang van 17 december 2011 beëindigd (lees: ingetrokken), omdat appellant met ingang van deze datum in [woonplaats] woont. Appellant ontvangt met ingang van 16 december 2011 bijstand van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD).


1.2.

Omdat appellant weinig pinbetalingen verrichtte voor levensonderhoud en omdat hij als zelfstandige gewerkt had in de autobranche, is bij de ISD een vermoeden ontstaan dat appellant nog steeds werkzaamheden verricht in de autobranche. De Sociale Recherche Zuid-Holland Noord (sociale recherche) heeft hierop op verzoek van de ISD een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, onderzoek gedaan bij de KvK, gegevens opgevraagd bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), waarnemingen verricht nabij de woning van appellant en bij het garagebedrijf aan de [adres] te [plaatsnaam A], welk adres in het handelsregister stond geregistreerd als bezoekadres van

[naam B.V.], en op 27 augustus 2012 appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 september 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

14 januari 2013 de bijstand van appellant over de periode van 14 januari 2010 tot en met

31 december 2011 in te trekken en de in die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.036,- terug te vorderen.


1.4.

Bij besluit van 23 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 14 januari 2013 gerichte bezwaar van appellant gegrond verklaard voor wat betreft de periode van 17 december 2011 tot en met 31 december 2011 en voor het overige ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij een herberekening van de terugvordering aangekondigd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit gegevens van de RDW blijkt dat appellant in de periode van januari 2010 tot 1 februari 2012 1385 auto’s heeft gekeurd of afgemeld bij diverse garagebedrijven, in hoofdzaak bij [naam B.V.] te [plaatsnaam A]. Doordat appellant op de door hem ingeleverde statusformulieren geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten, heeft hij de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB, en als nader op appellant toegespitst in het toekenningsbesluit van 1 juni 2010, geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Ook op basis van de door appellant overgelegde financiële stukken kan het college niet vaststellen of appellant recht op (aanvullende) bijstand had.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de hier te beoordelen periode, die loopt van 14 januari 2010 tot en met 16 december 2011 (periode in geding), zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn werkzaamheden als autokeurmeester en van de daarmee verworven inkomsten.


4.2.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat aan de hand van de door hem overgelegde gegevens in combinatie met de in het kader van het onderzoek door de sociale recherche van de RDW verkregen gegevens over het aantal keuringen en afmeldingen, zijn inkomen en daarmee zijn recht op bijstand over de periode in geding - eventueel schattenderwijs - alsnog kan worden vastgesteld.


4.4.

Met het college en de rechtbank wordt geoordeeld dat de inkomsten van appellant over de periode in geding niet zijn vast te stellen op basis van de door appellant overgelegde administratie van [naam B.V.] Uit deze administratie is niet te herleiden welke inkomsten appellant aan deze vennootschap heeft onttrokken. Over de inkomsten die appellant als directeur van de B.V. heeft verkregen, heeft appellant niets (onderbouwd) gesteld. Ook het standpunt van appellant dat de nettowinst van de B.V. als salaris moet worden aangemerkt, wordt niet gevolgd, omdat appellant geen inzicht heeft gegeven in de financiële verhouding tussen hemzelf en de B.V. Zo blijkt op de balans van de B.V. onder de activa van een rekening-courantverhouding met appellant en uit de bankafschriften valt af te leiden dat tussen deze rekening-courant en de privérekening van appellant transacties hebben plaatsgevonden. De beroepsgrond faalt.


4.5.

Appellant heeft voorts het bedrag van de terugvordering bestreden. Over de periode van 14 januari 2010 tot en met mei 2010 is geen bijstand betaald, zodat over die periode niet kan worden teruggevorderd. Niet duidelijk is of het college daarmee rekening heeft gehouden. Ten onrechte heeft het college voorts geen berekening aan het teruggevorderde bedrag ten grondslag gelegd, aldus appellant.


4.6.

Deze beroepsgrond slaagt. Het college heeft in strijd met zijn uit artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeiende verplichting tot volledige heroverweging in bezwaar bij het bestreden besluit niet beslist over de terugvordering, maar een herberekening daarvan in het vooruitzicht gesteld. Bovendien heeft die herberekening nog altijd niet plaatsgevonden. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.


4.7.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb moet worden vernietigd voor zover daarbij niet is beslist over de terugvordering.


4.8.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om het bedrag van de terugvordering te kunnen vaststellen. Het college zal een berekening moeten maken, waarbij de hoogte van de terugvordering inzichtelijk wordt gemaakt.


4.9.

Aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:108 in samenhang met artikel 8:80a van de Awb het college in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en C.H. Rombouts en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.





(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) M.S. Boomhouwer



HD