Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 14-302 WWB-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1611

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Het had op de weg van het college gelegen nader onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van appellante en in dat kader in de eerste plaats te onderzoeken of de door appellante gestelde gewijzigde omstandigheid zich daadwerkelijk voordoet. Het besluit is niet zorgvuldig voorbereid. Vernietiging besluit. De Raad kan zelf niet in de zaak voorzien, omdat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen of appellante met ingang van 25 januari 2013 recht op bijstand heeft. Het college zal de aanvraag om bijstand van 29 januari 2013 opnieuw moeten beoordelen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
14-302 WWB-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/116
Uitspraak

14/302 WWB-T

Datum uitspraak: 26 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 7 januari 2014, 13/9605 en 13/9775 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Namens appellante is verschenen mr. Samama. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij heeft bij het college opgegeven dat zij woont op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] (opgegeven adres), waar zij volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen) sinds 14 februari 1997 staat ingeschreven.


1.2.

Bij besluit van 13 november 2012 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2012 ingetrokken. Bij besluit van 27 november 2012 heeft het college de bijstand over de periode van 8 februari 2012 tot en met 31 oktober 2012 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat uit onderzoek gebleken is dat appellante en haar drie kinderen niet woonden op het opgegeven adres. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 27 mei 2013 ongegrond verklaard. Het beroep tegen dat besluit is bij uitspraak van

29 januari 2014 door de rechtbank ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.


1.3.

Op 25 januari 2013 heeft appellante zich bij het Werkplein Den Haag Centrum gemeld om bijstand aan te vragen. Op 29 januari 2013 heeft appellante een aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ingediend. Appellante heeft bij haar aanvraag aangegeven dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Zij woont met haar beide jongste dochters (nog altijd) op het opgegeven adres, maar haar oudste dochter woont inmiddels bij haar zus en zwager op het adres [adres 2] te [plaatsnaam].


1.4.

Bij brieven van 28 februari 2013 en 5 maart 2013 heeft het college appellante in de gelegenheid gesteld een persoonlijke verklaring over de gewijzigde omstandigheden te geven. Bij brief van 12 maart 2013 heeft appellante daarop gereageerd en een bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat haar oudste dochter in de GBA sinds 23 januari 2013 staat ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam].


1.5.

Bij besluit van 3 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 november 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft aangetoond dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden op grond waarvan zij thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij - samengevat - aangevoerd dat zij de na de intrekking van de bijstand gewijzigde situatie heeft aangetoond. Het college heeft gelet daarop ten onrechte geen nader onderzoek gedaan in de vorm van een huisbezoek.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 25 januari 2013, de datum waarop appellante zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 3 juli 2013, de datum van het afwijzingsbesluit.


4.2.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient, gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.


4.3.

In dit geval is de bijstand ingetrokken op de grond dat appellante niet woonachtig was op het opgegeven adres. Appellante heeft volgehouden dat zij wel op het opgegeven adres woont. In lijn met wat de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:459) kon appellante daarom in beginsel volstaan met de onderbouwde stelling dat zij op dat adres woont. Het is vervolgens aan het college om nader onderzoek te verrichten, indien aan de juistheid van deze stelling wordt getwijfeld.


4.4.

Appellante heeft voor de door haar gestelde gewijzigde omstandigheden verwezen naar een uittreksel uit de GBA, ter onderbouwing van het standpunt dat haar oudste dochter is verhuisd naar de [adres 2] te [plaatsnaam]. Verder heeft appellante in de onder 1.4 genoemde brief van 12 maart 2013 onder meer verklaard dat de woning op het opgegeven adres waarschijnlijk binnen een jaar zal worden gesloopt, dat het voor appellante van groot belang is om deze woning te blijven bewonen totdat haar een andere woning zal worden toegewezen, dat het op het opgegeven adres voor haar oudste dochter te onrustig is en zij te weinig plek heeft om zich op haar schoolwerk te kunnen concentreren.


4.5.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellante met deze gegevens haar stelling, dat zij (nog altijd) op het opgegeven adres woont, voldoende onderbouwd. Hierbij is van betekenis dat het college aan de in 1.2 genoemde besluitvorming mede ten grondslag heeft gelegd dat de woning op het opgegeven adres te klein is voor bewoning door een gezin met drie kinderen. Onder die omstandigheden had het op de weg van het college gelegen nader onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van appellante in de hier te beoordelen periode en in dat kader in de eerste plaats te onderzoeken of de door appellante gestelde gewijzigde omstandigheid zich daadwerkelijk voordoet. Het college had niet mogen volstaan met het afwijzen van de aanvraag omdat geen sprake was van gewijzigde omstandigheden. Als wat appellante naar voren had gebracht door het college onvoldoende werd geacht, had van het college mogen worden verlangd dat het aangaf welke (nadere) gegevens nog zouden moeten worden verstrekt, dan wel dat ter verificatie van de gestelde woon- en leefsituatie een huisbezoek zou worden afgelegd.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het bestreden besluit, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet op een deugdelijke motivering berust. Hieruit volgt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.7.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad niet zelf in de zaak voorzien, omdat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen of appellante met ingang van 25 januari 2013 recht op bijstand heeft. Het college zal de aanvraag om bijstand van 29 januari 2013 opnieuw moeten beoordelen.


4.8.

Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om het college op te dragen het in 4.5 geconstateerde gebrek te herstellen door binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 26 november 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.


Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en C.H. Rombouts en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) M.S. Boomhouwer



HD