Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 13-6876 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1612

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om de terugvordering op te heffen. Geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
13-6876 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6876 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2013, 13/3184 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Namens appellante is verschenen mr. dr. G.P. Dayala, kantoorgenoot van mr. Dayala. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Veenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt vanaf september 1999 bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Bij besluit van 24 mei 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 augustus 2007, heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 29 maart 2004 tot en met

13 mei 2005 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.037,66 van appellante teruggevorderd op de grond dat appellante gedurende deze periode werkzaamheden heeft verricht zonder daarvan bij het college melding te hebben gemaakt. Bij uitspraak van 1 juli 2008 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

28 augustus 2007 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij zijn uitspraak van 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6767, de uitspraak van de rechtbank van 1 juli 2008 bevestigd.


1.3.

Bij faxberichten van 23 april 2012 en 22 november 2012 heeft appellante, voor zover van belang, het college verzocht om de terugvordering op te heffen, in die zin dat de inhouding op haar uitkering met terugwerkende kracht op nihil wordt gesteld, omdat de politierechter in zijn vonnis van 22 januari 2010 appellante heeft vrijgesproken op grond van de overweging dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen.


1.4.

Bij besluit van 30 januari 2013 heeft het college dit verzoek afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de Raad in zijn uitspraak van 1 juni 2010 heeft bepaald dat de procedure en het besluit van de terugvordering correct is. Een eventuele strafvervolging staat hier los van. De inhouding ter aflossing van de vordering wordt niet stopgezet.


1.5.

Bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 30 januari 2013 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het schrijven van

30 januari 2013 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellante heeft verzocht om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit, de reactie daarop is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het college heeft het daartegen gemaakte bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De omstandigheid dat appellante door de strafrechter is vrijgesproken van uitkeringsfraude in verband met deze zaak, is echter geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid waarin het college aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien, zodat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat hij bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.


4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de vrijspraak van de strafrechter, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel een nieuw feit oplevert. Nu de strafrechter heeft geoordeeld dat de bijstandsfraude niet bewezen kan worden, is de instandhouding van de terugvordering niet rechtmatig.


4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft uitsluitend een afschrift aantekening mondeling vonnis overgelegd, zonder de tenlastelegging en het proces-verbaal van de terechtzitting als bedoeld in artikel 378, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet hierop, kan niet worden vastgesteld waarop het oordeel van de politierechter betrekking heeft. Ook indien er met appellante vanuit wordt gegaan dat de beoordeling van de politierechter betrekking heeft op de periode van 29 maart 2004 tot en met 13 mei 2005, is het vonnis van de politierechter geen nieuw feit dat het terugkomen van het terugvorderingsbesluit rechtvaardigt. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715) is de bestuursrechter in de vaststelling van en het oordeel over een hem voorgelegd geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.


4.4.

Het college was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van het besluit van 28 augustus 2007 af te wijzen met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In wat appellante heeft gesteld, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.5.

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de invordering onrechtmatig is, nu zij niet kan voorzien in haar primaire levensbehoeften, kan zij het college verzoeken een herberekening te maken van het van haar maandelijks terug te betalen bedrag.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Gelet op deze uitkomst is er geen ruimte voor veroordeling van het college tot vergoeding van schade, zodat het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD