Centrale Raad van Beroep, 08-05-2015 / 13-3050 WAJONG-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1624

Inhoudsindicatie
Ten onrechte heeft de rechtbank het beroep van appellant beoordeeld in het kader van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong en eveneens ten onrechte heeft het Uwv in het bestreden besluit verwezen naar bepalingen van de oude wet (Wajong). Ten aanzien van het bestreden besluit is artikel 3:48 van de Wet Wajong van toepassing. Het geschil richt zich uitsluitend op de terugwerkende kracht die aan de toepassing van de kortingsbepaling is gegeven en op de daaraan gekoppelde terugvordering. Het Uwv hanteert daarbij een buitenwettelijk, begunstigend beleid, dat in het geval van appellant niet op consistente wijze is toegepast. Zonder nader onderzoek kan niet geoordeeld worden dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel Wajong-uitkering heeft ontvangen. Aan het Uwv wordt opdracht gegeven het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-08
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
13-3050 WAJONG-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3050 WAJONG-T

Datum uitspraak: 8 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2013, 12/4345 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Broekzitter-Nieuwland, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Broekzitter-Nieuwland. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.N.N. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant, geboren [in] 1988, is sinds zijn 18e jaar een uitkering verstrekt op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen recht heeft op betaling van een (volledige) uitkering op grond van de Wajong wegens inkomsten over diverse maanden in de periode van 1 oktober 2009 tot 1 april 2012. Bij hetzelfde besluit heeft het Uwv van appellant € 15.512,91 bruto teruggevorderd als onverschuldigd betaalde uitkering over die maanden in genoemde periode.


1.3.

Bij besluit van 23 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant in de in geding zijnde periode voor de toepassing van artikel 50 van de Wajong relevante inkomsten uit arbeid heeft ontvangen en dat niet is gebleken dat het appellant redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat zijn inkomsten van invloed konden zijn op (de hoogte van) zijn recht op (uitbetaling van) zijn Wajong-uitkering. Dat appellant ervan uitging dat zijn inkomsten door zijn jobcoach aan het Uwv zouden worden gemeld, is een omstandigheid die voor rekening en risico van appellant komt. De rechtbank acht voorts, nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de terugvordering voor hem tot onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen leidt - geen dringende redenen aanwezig op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van de terugvordering zou moeten afzien.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het hem niet aan te rekenen is dat hij zelf geen informatie aan het Uwv heeft verschaft over zijn inkomsten. Hij heeft gewezen op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 25 februari 2013 waarin deze arts concludeert dat appellant niet volledig zelf kon beseffen dat hij teveel aan inkomen ontving. Appellant is van mening dat de toepassing van artikel 50 van de Wajong in een dergelijk geval in strijd kan zijn met het beginsel van rechtszekerheid. Voorts dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat appellant er geen rekening mee hoefde te houden dat er na geruime tijd alsnog een terugvordering zou plaatsvinden.


3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Bij wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 580) is de Wajong met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd. De bepalingen van de Wajong, zoals deze luidden vóór 1 januari 2010, zijn daarbij ondergebracht in hoofdstuk 3 en de citeertitel van de wet is gewijzigd in Wet Wajong. Het in geding zijnde geschil dient dan ook te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 3 van de Wet Wajong.


4.2.

Ten onrechte heeft de rechtbank het beroep van appellant beoordeeld in het kader van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong en eveneens ten onrechte heeft het Uwv in het bestreden besluit verwezen naar bepalingen van de oude wet (Wajong). Ten aanzien van het bestreden besluit is artikel 3:48 van de Wet Wajong van toepassing.


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde in dit geding van belang voor de toepassing van artikel 3:48 van de Wet Wajong relevante inkomsten uit arbeid heeft ontvangen van een omvang als door het Uwv aangenomen. Ook niet is in geschil dat het Uwv op basis van deze inkomsten een juiste berekening heeft gemaakt van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Het geschil richt zich uitsluitend op de terugwerkende kracht die aan de toepassing van de kortingsbepaling is gegeven en op de daaraan gekoppelde terugvordering.


4.4.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BS1117) met juistheid geoordeeld dat het Uwv in het geval dat aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, gehouden is toepassing te geven aan de geldende kortingsbepaling. Deze is, zoals in 4.2 is vastgesteld en anders dan de rechtbank overwoog, in dit geval artikel 3:48 van de Wet Wajong. Zoals de Raad meermalen heeft overwogen staan tekst, doel en strekking van kortingsartikelen toepassing met terugwerkende kracht niet in de weg. Onder omstandigheden kan toepassing met terugwerkende kracht echter in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, dan wel met een (andere) ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in welk verband van belang is dat het Uwv van toepassing van een kortings-artikel pleegt af te zien in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel aan uitkering werd ontvangen. Het Uwv hanteert daarbij een beleid zoals dat is neergelegd in de Beleidsregels schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230). Dat beleid houdt onder meer in dat de uitkering met terugwerkende kracht wordt herzien tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Dit beleid dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Dit brengt mee dat de aanwezigheid en toepassing van dit beleid als een gegeven worden aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of dit beleid op consistente wijze is toegepast.


4.5.

Het beleid als bedoeld in 4.4 is, gelet op de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 februari 2013, in het geval van appellant niet op consistente wijze toegepast. De conclusie van dit rapport is dat appellant niet volledig kon beseffen dat hij te veel aan inkomen ontving. Het is niet helder hoe deze conclusie zich verhoudt tot de vaststelling in het rapport dat appellant wel beseft dat hij teveel geld kreeg, maar niet wat hij daarmee moest doen. Voorts is niet vermeld op welke onderzoeksgegevens deze verzekeringsarts de conclusie in het rapport heeft gebaseerd.


4.6.

Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 februari 2013 opgemerkt dat de administratie van zwakbegaafde cliënten, zoals appellant, moet worden ondersteund. Het Uwv heeft zich in de brief van 27 februari 2013 op het standpunt gesteld dat ervan uit mag worden gegaan dat appellants echtgenote (mede) belast is met de behandeling van de financiële zaken binnen het gezin. Ter zitting is van de zijde van appellant gesteld dat zijn toenmalige partner tekortschoot in het voeren van de administratie en dat er schulden gemaakt zijn. Niet gebleken is dat het Uwv onderzoek heeft gedaan naar de wijze waarop appellant ondersteuning kreeg bij zijn administratie en naar de vraag of zijn partner daadwerkelijk in staat was deze taak voor hem uit te oefenen.


4.7.

Gelet op de overwegingen 4.5 en 4.6 kan niet zonder nader onderzoek geoordeeld worden dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel Wajong-uitkering heeft ontvangen. In zoverre is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en derhalve niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


4.8.

Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De Raad zal daartoe een termijn van zes weken stellen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 23 augustus 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015.




(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) W. de Braal




NW