Centrale Raad van Beroep, 26-05-2015 / 14-1584 BBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:1627

Inhoudsindicatie
Appellanten hebben hun stelling dat met het besluit van 27 juni 2012 een nieuw rechtsgevolg in het leven is geroepen met de nieuwe verdeling van de kosten van het bedrijfskrediet en de kosten van het levensonderhoud niet nader toegelicht. Deze enkele stelling laat bovendien onverlet dat appellanten uit hoofde van het onherroepelijk geworden besluit van 17 januari 2006 gehouden zijn het nog openstaande gedeelte van de lening, vermeerderd met de verschuldigde rente, aan het college te betalen. Tegen de specificatie van de daarop betrekking hebbende bedragen in het besluit van 27 juni 2012 zijn geen aparte beroepsgronden gericht. Ook de stelling dat de vordering reeds zou zijn afgelost of in zijn geheel zou zijn kwijtgescholden hebben appellanten niet onderbouwd, zodat ook de beroepsgronden die daarop zien niet slagen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
14-1584 BBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1584 BBZ

Datum uitspraak: 26 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 februari 2014, 13/3015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Appellanten zijn, na voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.C. Schouten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Het college heeft appellanten bij besluit van 23 september 1998 een rentedragende lening ter hoogte van ƒ 29.700,- verstrekt op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Deze lening betrof een bedrijfskrediet voor de door appellanten geëxploiteerde cafetaria en kosten voor levensonderhoud. Bij besluit van 1 november 1999 heeft het college van deze lening een bedrag van ƒ 22.275,30 omgezet in bijstand om niet.


1.2.

Bij besluit van 17 november 2005, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 januari 2006, heeft het college besloten het restant van de geldlening terug te vorderen tot een bedrag van € 3.662,72, waarvan een bedrag van € 2.850,02 het restant van de lening betrof en een bedrag van € 812,70 zag op de opgebouwde renteachterstand.


1.3.

In de periode na 17 januari 2006 heeft het college appellanten meerdere malen aanmaningen en acceptgiro’s toegezonden, renteoverzichten verstrekt, bedragen ingehouden op de aan appellanten verleende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en de vordering ingediend bij de bewindvoerder van de inmiddels op appellanten toegepaste schuldsaneringsregeling. In verband met het staken van de exploitatie van de cafetaria, heeft het college bij besluit van 15 mei 2008 de lening rentevrij gemaakt.


1.4.

Bij besluit van 27 juni 2012, heeft het college, voor zover hier nog van belang, appellanten medegedeeld dat de verstrekte lening van hen wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 2.470,02 aan nog openstaande hoofdsom en € 1.240,41 aan achterstallige rente, geboekt tot 1 maart 2008. Het tegen dit besluit door appellanten ingestelde bezwaar heeft het college bij besluit van 10 april 2013 (bestreden besluit) deels gegrond en deels

niet-ontvankelijk verklaard. Over de terugvordering van het nog openstaande bedrag aan lening, is daarbij overwogen dat deze, gelet op het rechtens onherroepelijke besluit van

17 januari 2006, niet was gericht op rechtsgevolg maar slechts moest worden opgevat als een specificatie van de door appellanten nog verschuldigde, openstaande bedragen van de lening.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij voeren aan dat de vordering, die voortvloeit uit het besluit van 17 november 2005, is verjaard. Als gevolg daarvan is de terugvordering in het besluit van 27 juni 2012 alsnog gericht op rechtsgevolg. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat met het besluit van 27 juni 2012 binnen de lening een nieuwe verdeling is gemaakt tussen kosten van levensonderhoud en bedrijfskrediet. Omdat kosten van levensonderhoud niet kunnen worden teruggevorderd, is het bestreden besluit ook in zoverre gericht op rechtsgevolg. Daarnaast stellen appellanten zich op het standpunt dat de lening is afgelost, dan wel kwijtgescholden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geschil is allereerst of de vordering van het college op appellanten, bestaande uit het restant van de aan hen verstrekte lening en de renteachterstand, is verjaard. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (uitspraak van 8 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY7958) wordt voor de verjaring aansluiting gezocht bij de verjaringsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van deze bepalingen verjaart de rechtsvordering door verloop van vijf jaren, tenzij sprake is geweest van stuiting van de verjaring. Dit kan bijvoorbeeld plaatsvinden doordat de schuldeiser een schriftelijke mededeling heeft gedaan waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt of door erkenning van de vordering door de schuldenaar. Gelet op de onder 1.3 aangehaalde correspondentie en invorderingshandelingen van het college in de periode na 17 januari 2006 moet worden geoordeeld dat na deze datum nog diverse stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden. Nu niet in geschil is dat in mei 2008 nog een laatste inhouding heeft plaatsgevonden op de bijstand van appellanten, is na deze laatste stuitingshandeling geen nieuwe termijn van vijf jaar verstreken. De vordering is dan ook niet verjaard. Dit houdt tevens in dat, anders dat appellanten aanvoeren, het besluit van 27 juni 2012 in zoverre niet is gericht op rechtsgevolg.


4.2.

Appellanten hebben hun stelling dat met het besluit van 27 juni 2012 een nieuw rechtsgevolg in het leven is geroepen met de nieuwe verdeling van de kosten van het bedrijfskrediet en de kosten van het levensonderhoud niet nader toegelicht. Deze enkele stelling laat bovendien onverlet dat appellanten uit hoofde van het onherroepelijk geworden besluit van 17 januari 2006 gehouden zijn het nog openstaande gedeelte van de lening, vermeerderd met de verschuldigde rente, aan het college te betalen. Tegen de specificatie van de daarop betrekking hebbende bedragen in het besluit van 27 juni 2012 zijn geen aparte beroepsgronden gericht.


4.3.

Ook de stelling dat de vordering reeds zou zijn afgelost of in zijn geheel zou zijn kwijtgescholden hebben appellanten niet onderbouwd, zodat ook de beroepsgronden die daarop zien niet slagen.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en C.H. Rombouts en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD