Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 13-6363 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1699

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijstand over 2 periodes. De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellante bij haar aanvraag onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt over haar relatie met appellant en over de woon- en leefsituatie op het uitkeringsadres. Het college heeft zijn standpunt dat een onduidelijke en door appellante niet opgehelderde financiële verstrengeling is ontstaan tussen appellante enerzijds en de schoonfamilie anderzijds niet toereikend onderbouwd. Leningen. Middelen. Met de ontvangen bedragen werd volledig voorzien in bepaalde kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante. Doordat appellante deze kosten niet meer zelf behoefde te voldoen uit de bijstandsnorm leverde haar dit een substantiële besparing op, zodat haar bijstandbehoevendheid in de betreffende maanden per saldo werd verminderd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-08
Zaaknummer
13-6363 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/138
Uitspraak

13/6363 WWB, 13/6364 WWB, 13/6365 WWB

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 november 2013, 13/480 (aangevallen uitspraak 1) en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 november 2013, 13/479 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

Namens appellanten tezamen heeft mr. Brouwer hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 9 maart 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M. Hoving en M.M. Hazeveld.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is van 17 mei 2001 tot 1 oktober 2010 gehuwd geweest met [naam]. Zij hebben tezamen een dochter (J, geboren [in] 2001). Appellanten hebben in de periode van 31 augustus 2009 tot 1 juli 2012 in de gemeente Lelystad een gezamenlijke huishouding gevoerd. Zij hebben gedurende die periode van de gemeente Lelystad bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden ontvangen. Appellanten hebben tezamen een dochter (I, geboren [in]2010).

1.2. Appellante is sinds 1 juli 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: Basisregistratie Personen (BRP), aan het adres [adres] (uitkeringsadres), naar welk adres zij rond die tijd is verhuisd. Zij heeft zich op

26 juni 2012 bij het Uwv Werkbedrijf te Hoogeveen gemeld om bijstand aan te vragen bij de gemeente Midden-Drenthe en op 3 juli 2012 een aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder met ingang van 1 juli 2012 ingediend. Tijdens het intakegesprek heeft appellante, volgens de weergave daarvan in een onderzoeksrapport van 30 augustus 2012, verklaard dat het contact tussen haar en appellant was verbroken en dat zij naar Beilen was verhuisd om dichter bij [naam] en diens familie (haar voormalige schoonfamilie, hierna: schoonfamilie) te wonen, dat de schoonfamilie de verhuiskosten van € 450,13 heeft betaald, dat [naam] de waarborgsom van € 1.600,- voor de huur van haar nieuwe woning heeft betaald en dat hij ingevolge het huurcontract borg staat voor de maandelijkse huur van € 640,-, die op 1 juli 2012 is ingegaan. Naar aanleiding van deze gegevens heeft het college nader onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellante en tevens naar haar woon- en leefsituatie. Hieruit is, volgens eerder vermeld onderzoeksrapport, onder andere naar voren gekomen dat appellante nog regelmatig contact had met appellant, dat is geconstateerd dat zijn auto bij het uitkeringsadres stond geparkeerd en dat appellante zich op haar account bij Facebook presenteerde als de levenspartner van appellant. In het kader van het onderzoek is op

30 augustus 2012 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek heeft appellante, volgens de weergave van het huisbezoek in eerder vermeld onderzoeksrapport, verklaard dat appellant in de woning aanwezig was en dat de auto eigendom was van een vriendin van haar uit Assen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in voormeld rapport van 30 augustus 2012.

1.3. Het college heeft op basis van de onderzoeksbevindingen de aanvraag van appellante bij besluit van 3 september 2012 (besluit 1) afgewezen.

1.4. Appellant heeft op 4 september 2012 aangifte van adreswijziging gedaan ter zake van zijn verhuizing naar het uitkeringsadres. Hij is sedertdien op dat adres ingeschreven in de GBA.

1.5. Appellanten hebben zich op 11 september 2012 tezamen gemeld om bijstand aan te vragen bij de gemeente Midden-Drenthe en op 21 september 2012 daar een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.6. Het college heeft naar aanleiding van de aanvraag van appellanten onderzoek gedaan naar de financiële situatie van appellanten en in dat kader nadere gegevens opgevraagd. Appellanten hebben diverse gegevens overgelegd. In een gesprek op 16 november 2012 is aan appellanten te kennen gegeven dat nog niet alle opgevraagde gegevens waren overgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 20 november 2012.

1.7. Het college heeft op basis van de onderzoeksbevindingen de aanvraag van appellanten bij besluit van 22 november 2012 (besluit 2) afgewezen.

1.8. Het college heeft bij besluit van 28 mei 2013 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 september 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Appellante heeft volgens het college onvoldoende informatie verstrekt over haar financiële verstrengeling met [naam] en de schoonfamilie en onjuiste en onvolledige informatie over haar relatie met appellant.

1.9. Het college heeft bij afzonderlijk besluit van 28 mei 2013 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 22 november 2012 ongegrond verklaard. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, doordat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zij hebben volgens het college niet alle benodigde bankafschriften en de betalingsbewijzen met betrekking tot de huur en de waarborgsom voor de huur overgelegd en met elkaar tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Hierdoor hebben appellanten niet inzichtelijk gemaakt hoe zij in de periode voorafgaand aan de melding om bijstand in hun levensonderhoud hebben voorzien en onvoldoende duidelijkheid gegeven over hun financiële situatie.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd. Appellanten hebben zich beiden in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 2 gekeerd. Zij verzoeken het college te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag.

4.2. Het gaat in deze gedingen om besluiten tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Aangevallen uitspraak 1: aanvraag van appellante (13/6363)


4.3.

De in dit geding te beoordelen periode loopt, gelet op 4.1 en gelet op de in het onderhavige geval verzochte ingangsdatum van de bijstand, van 1 juli 2012 tot en met

3 september 2012.


Relatie met appellant


4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, een ontoereikende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat zij bij haar aanvraag onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over haar woon- en leefsituatie, in het bijzonder over haar betrekkingen met appellant. Deze beroepsgrond slaagt op grond van de volgende overwegingen.


4.4.1.

Appellante heeft ontkend dat zij tijdens het intakegesprek heeft verklaard dat de relatie met appellant volledig was verbroken. Zij heeft gesteld dat zij heeft verklaard dat ten tijde van de aanvraag de samenwoning met appellant was verbroken en dat zij met hem nog contact had in verband met hun gezamenlijke, bij appellante woonachtige dochter, die appellant bezocht. Van het intakegesprek is slechts een zeer summiere weergave in de bewoordingen van de rapporteur, opgenomen in het onderzoeksrapport van 30 augustus 2012, voorhanden. Een door appellante gevalideerd verslag is niet opgemaakt. Gelet hierop kan, in het licht van de betwisting door appellante, niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van de weergave van het gesprek in het onderzoeksrapport. Het standpunt dat appellante onjuiste informatie over haar relatie met appellant heeft verstrekt, voor zover relevant voor de vaststelling van het recht op bijstand, is niet anderszins, en derhalve onvoldoende, onderbouwd.


4.4.2.

Voorts heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. In dit verband is van betekenis dat appellante heeft ontkend dat de op naam van appellant gestelde auto, zoals in het onderzoeksrapport is vermeld, vrijwel dagelijks dan wel regelmatig bij het uitkeringsadres stond geparkeerd. Volgens appellante is dit slechts af en toe het geval geweest. Daartegenover blijkt uit de onderzoeksbevindingen niet van concrete waarnemingen of observaties, terwijl het onderzoeksrapport geen duidelijkheid biedt over de frequentie en de duur van de aanwezigheid van die auto bij het uitkeringsadres. De onderzoeksbevindingen met betrekking tot de aanwezigheid van de auto bij het uitkeringsadres bieden dan ook onvoldoende basis voor het standpunt van het college. Appellante heeft tevens ontkend dat zij, geconfronteerd met de aanwezigheid van de auto, tegenover een medewerker van het college heeft verklaard dat de auto van een vriendin was. Ook van die verklaring van appellante is geen door haar gevalideerd verslag opgemaakt, zodat gelet op de betwisting door appellante en bezien in het licht van het vorenstaande, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van de weergave van die verklaring in het onderzoeksrapport.


4.4.3.

Het college heeft ter verdere onderbouwing van zijn standpunt erop gewezen dat appellant volgens appellante aanwezig was op het uitkeringsadres ten tijde van het op

30 augustus 2012 afgelegde huisbezoek, maar dat hij daar toen niet is gezien, terwijl de aanwijzingen van appellante over zijn exacte verblijfplaats niet begrijpelijk zijn in het licht van de indeling van de woning. Tevens heeft het college naar voren gebracht dat het bed aan beide zijden beslapen leek en dat aan één kant mannenkleding lag. Deze gegevens - wat daarvan ook zij - bieden echter, ook bezien in onderling verband en in samenhang met het voorgaande, onvoldoende grond voor de door het college getrokken conclusie. Ook het feit dat appellante zich op haar account bij Facebook kennelijk profileerde als de partner van appellant is onvoldoende om aan te nemen dat appellant in de onderhavige periode zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.


4.4.4.

De onderzoeksbevindingen bieden derhalve onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellante bij haar aanvraag onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt over haar relatie met appellant en over de woon- en leefsituatie op het uitkeringsadres.


Financiële situatie


4.5.

Vaststaat dat in de te beoordelen periode en daarvoor door [naam] en de schoonfamilie aan en voor appellante bedragen zijn betaald. Appellante heeft aangevoerd dat zij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bij haar aanvraag hierover voldoende informatie heeft verstrekt

- en ook overigens - om het college de gelegenheid te geven om haar bijstandbehoevendheid vast te stellen en tevens voldoende duidelijk heeft gemaakt hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Ook deze beroepsgrond slaagt.


4.5.1.

Het college heeft zijn standpunt dat een onduidelijke en door appellante niet opgehelderde financiële verstrengeling is ontstaan tussen appellante enerzijds en [naam] en de schoonfamilie anderzijds niet toereikend onderbouwd. Niet in geschil is dat appellante bij haar aanvraag heeft meegedeeld dat zij financieel is ondersteund door [naam] en de schoonfamilie. De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante meer of andere bedragen van hen heeft ontvangen dan blijkt uit de door haar overgelegde bankafschriften en schriftelijke verklaringen en overzichten. Met name biedt het uitgavenpatroon van appellante, zoals ook het college heeft geconstateerd, geen aanleiding voor de veronderstelling dat zij over andere geldbronnen beschikte dan uit de overgelegde gegevens blijkt. De borgstelling door [naam] voor de maandelijkse huurbetalingen levert geen onduidelijkheid op en is voorts op zichzelf niet van betekenis voor het recht op bijstand van appellante in de te beoordelen periode.


4.6.

Uit 4.4 tot en met 4.5.1 volgt dat het college de afwijzing van de bijstandsaanvraag niet heeft kunnen baseren op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Aangevallen uitspraak 1 komt daarom voor vernietiging in aanmerking, evenals bestreden besluit 1.


4.7.

Met het oog op definitieve geschilbeslechting overweegt de Raad met betrekking tot het door het college te nemen besluit als volgt onder 4.8 en verder. Dat besluit betreft dan verder nog uitsluitend een financiële uitwerking. Het college zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.


Leningen


4.8.

Appellante heeft aangevoerd dat de door [naam] en de schoonfamilie in de hier te beoordelen periode betaalde bedragen als leningen moeten worden beschouwd.


4.8.1.

Een betrokkene heeft in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. De als lening ontvangen gelden zijn immers volgens het bepaalde in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgesloten van de middelen waarover de bijstandsgerechtigde kan beschikken. Dit kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138) anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode verkeerde in een dergelijke situatie.


4.8.2.

Appellante heeft haar stelling dat de bedragen die op haar rekening zijn gestort een lening waren niet aannemelijk gemaakt. De ter zake daarvan overgelegde verklaringen en leenovereenkomsten vermelden geen concrete bedragen die corresponderen met de bedragen die op de rekening van appellante zijn gestort. Het college heeft reeds daarom terecht aangenomen dat de aan appellante betaalde bedragen niet als leningen kunnen worden aangemerkt.


Middelen


4.9.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In beginsel worden hiertoe alle inkomens- en vermogensbestanddelen gerekend die strekken tot vermindering van de bijstand. De middelen worden ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB in aanmerking genomen bij de bepaling van het recht op bijstand, voor zover zij betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.


Aan derden betaalde bedragen


4.10.

Op grond van de overgelegde gegevens staat, anders dan het college meent, voldoende vast dat [naam] in de hier te beoordelen periode voor appellante de huur van haar woning heeft voldaan. Hij heeft de huur van € 640,- per maand rechtstreeks aan de verhuurder betaald voor de maanden juli, augustus en september 2012. Voorts staat vast dat de schoonfamilie, naar moet worden aangenomen in juli 2012, voor appellante de verhuiskosten van € 450,13 rechtstreeks aan de verhuurder van het verhuismaterieel en -personeel heeft betaald. [naam] heeft tevens de waarborgsom voor de woning van € 1.600,- rechtstreeks aan de verhuurder betaald. Uit het huurcontract en de overgelegde verklaringen van [naam] is af te leiden dat dit in juni 2012 moet hebben plaatsgevonden, welke maand buiten de te beoordelen periode ligt. Laatst vermelde betaling blijft daarom bij de beoordeling van het recht op bijstand over de onderhavige periode verder buiten beschouwing.


4.10.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086) moet, mede gelet op artikel 11, eerste lid, van de WWB, de term beschikken, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB, zo worden uitgelegd dat dit ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.


4.10.2.

Doordat de betalingen van huur en verhuiskosten rechtstreeks aan de crediteuren zijn gedaan kunnen deze, anders dan het college meent, niet worden gerekend tot de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB bedoelde middelen waarover appellante feitelijk beschikte.


4.10.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:705) is voor de beantwoording van de vraag of een betrokkene in een geval dat een derde voor hem rechtstreeks betaalt aan zijn crediteur, niettemin geacht moet worden redelijkerwijs te hebben kunnen beschikken over de betreffende bedragen afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij is het leidend criterium of de betrokkene zelf feitelijk kan of heeft kunnen bewerkstelligen dat deze bedragen nog voor (andere) kosten van zijn levensonderhoud worden aangewend.


4.10.4.

Appellante had jegens [naam] of de schoonfamilie geen aanspraak op de door hen betaalde bedragen. Afgesproken was immers dat de betreffende bedragen rechtstreeks aan de crediteuren zouden worden betaald, zoals is toegelicht in de door [naam] opgestelde verklaringen van 16 juli 2012 en 10 september 2012. Uit het verhandelde ter zitting van de Raad volgt voorts dat het niet in de macht van appellante heeft gelegen om de betalingen over haar kas of haar bankrekening te laten verlopen. Het college heeft daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat appellante wel had kunnen bewerkstelligen dat zij de voor woon- en verhuiskosten betaalde bedragen zo nodig of desgewenst ook voor andere kosten van levensonderhoud kon aanwenden. Niet kan dan ook worden volgehouden dat appellante redelijkerwijs over die bedragen kon beschikken.


4.11.

Wat onder 4.10 tot en met 4.10.4 is overwogen brengt echter niet vanzelf mee dat de voor appellante betaalde bedragen bij de bijstandverlening buiten beschouwing moeten blijven. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB is het college gehouden om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokkene. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (in de onder 4.10.3. bedoelde uitspraak) geeft deze bepaling inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8450) is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging slechts plaats in zeer bijzondere situaties.


4.11.1.

Een dergelijke bijzondere situatie kan hier worden aangenomen. Met de onder 4.10 bedoelde betalingen - voor zover hier van belang - werd volledig voorzien in bepaalde kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante. Doordat appellante deze kosten niet meer zelf behoefde te voldoen uit de bijstandsnorm leverde haar dit een substantiële besparing op, zodat haar bijstandbehoevendheid in de betreffende maanden per saldo werd verminderd.


4.11.2.

Afstemming op de omstandigheden van appellante is daarom aangewezen in die zin dat geen algemene bijstand behoeft te worden verleend in de specifieke kosten waarin door [naam] en de schoonfamilie is voorzien. Het college zal met inachtneming van de voor appellante in juli 2012 betaalde verhuiskosten en de betaalde bedragen van woninghuur voor juli, augustus en september 2012 per maand moeten bepalen wat de hoogte is van de op de omstandigheden van appellante afgestemde bijstandsnorm.


Aan appellante betaalde bedragen


4.12.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode regelmatig bedragen op haar bankrekening en, blijkens het door appellante opgestelde overzicht, ook contant heeft ontvangen van [naam] en de schoonfamilie. Zij heeft in juli 2012 een bedrag van in totaal

€ 310,- en in augustus 2012 een bedrag van in totaal € 130,- ontvangen. Op 9 september 2012 heeft appellante een bedrag van € 75,- ontvangen. Deze laatste datum ligt buiten de te beoordelen periode en deze overschrijving blijft daarom verder buiten beschouwing.


4.12.1.

Kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. Periodieke betalingen van derden aan een bijstandontvanger waarover vrijelijk kan worden beschikt worden als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt. De door appellante ontvangen bedragen stonden aan appellante ter vrije beschikking. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sommige van de door haar ontvangen bedragen, namelijk die, welke zijn overgemaakt met vermelding van de naam van haar dochter J niet ter vrije beschikking van haar stonden en daarom niet konden worden aangewend voor de kosten van levensonderhoud. Uit 4.7.2 volgt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontvangen bedragen als lening zijn verstrekt.


4.12.2.

Het college zal gelet op 4.12.1 de bedragen van € 310,-, ontvangen in juli 2012, en

€ 130,-, ontvangen in augustus 2012, als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB in mindering moeten brengen op de overeenkomstig 4.11.2 te bepalen bijstand, gelet op 4.8 over de maanden waarin de betreffende bedragen door appellante zijn ontvangen.


Aangevallen uitspraak 2: aanvraag van appellanten (13/5364, 13/6365)


4.13.

De in dit geding te beoordelen periode loopt gelet op 4.1 van 11 september 2012 tot en met 22 november 2012.


4.14.

Appellanten hebben aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, een ontoereikende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat zij onvoldoende inzicht hebben verschaft in de wijze waarop zij in hun levensonderhoud hebben voorzien in de periode voorafgaand aan de aanvraag en in hun financiële situatie in de te beoordelen periode. Deze grond slaagt.


4.14.1.

De stelling van appellanten dat zij voorafgaand aan de melding gebruik hebben gemaakt van de voedselbank en verder hebben geleefd van door familie en vrienden verstrekt voedsel en voorts noodzakelijke bestaanskosten hebben voldaan uit twee belastingteruggaven, diverse toeslagen en kinderbijslag is gelet op de overgelegde gegevens en de omvang van de aldus ontvangen bedragen niet onaannemelijk. De onderzoeksbevindingen geven geen aanleiding om van het tegendeel uit te gaan.


4.14.2.

Het standpunt van het college dat ook in de hier te beoordelen periode een onduidelijke financiële verstrengeling bestond tussen appellanten enerzijds en [naam] en de schoonfamilie anderzijds is niet toereikend onderbouwd. De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat appellanten meer of andere bedragen van [naam] en de schoonfamilie dan wel van anderen hebben ontvangen dan blijkt uit de overgelegde bankafschriften en de opgestelde verklaringen. Ook de overige onderzoeksbevindingen geven daartoe geen aanleiding. Appellanten hebben ontkend dat zij in een supermarkt met een pinpas hebben afgerekend, zoals in het onderzoeksrapport van

20 november 2012 is vermeld, zodat, anders dan het college stelt, begrijpelijk is dat een desbetreffende afschrijving niet uit de bankafschriften blijkt. De vermelding in het onderzoeksrapport van de pinbetaling, die zou kunnen duiden op een verzwegen bankrekening, is niet met concrete gegevens onderbouwd, zodat moet worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van appellanten ter zake. In het onderzoeksrapport wordt voorts melding gemaakt van uitgaven die niet zijn te beschouwen als noodzakelijke kosten, te weten uitgaven in een restaurant en in een computerwinkel. Appellanten hebben betwist dat het hier uitgaven betreft die niet verenigbaar zijn met de door hen gestelde bijstandbehoevendheid. Zij hebben ter zitting van de Raad ter toelichting op de betreffende uitgaven verklaard dat zij voor een speciale gelegenheid eenmaal met de kinderen bij de fastfoodketen McDonalds hebben gegeten en slechts eenmaal een kleine aankoop in een computerwinkel hebben gedaan.


4.15.

Uit 4.14 tot en met 4.14.2 volgt dat het college de afwijzing van de bijstandsaanvraag niet heeft kunnen baseren op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Aangevallen uitspraak 2 komt daarom voor vernietiging in aanmerking, evenals bestreden besluit 2. Het college zal dan ook een nieuw besluit op het bezwaar van appellanten moeten nemen.


4.16.

Gelet op wat onder 4.7 is overwogen zal het college opgedragen worden ook in dit geding een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van

22 november 2012. Met het oog op definitieve geschilbeslechting overweegt de Raad met betrekking tot het door het college te nemen besluit als volgt onder 4.17 en verder. Dat besluit betreft dan verder nog uitsluitend een financiële uitwerking.


Leningen


4.17.

Appellanten hebben aangevoerd dat de aan hen betaalde bedragen leningen betroffen. In de hier te beoordelen periode waren appellanten in afwachting van een beslissing op hun aanvraag en ontvingen geen bijstand of ander inkomen ter voorziening in hun levensonderhoud. In het licht van wat onder 4.8.1 en 4.8.2 is overwogen dient te worden bezien of en in hoeverre de door [naam] en de schoonfamilie betaalde bedragen als leningen kunnen worden aangemerkt.


4.17.1.

De ter zake van de overschrijvingen en betalingen achteraf opgestelde verklaringen en leenovereenkomsten vinden geen steun in andere gegevens. Het college heeft terecht aangenomen dat de bedragen geen leningen betreffen.


Aan derden betaalde bedragen


4.18.

Op grond van de overgelegde gegevens staat, anders dan het college meent, voldoende vast dat [naam] voor de maanden september en november 2012 de huur van € 640,- per maand voor de woning op het uitkeringsadres rechtstreeks heeft voldaan aan de verhuurder en dat appellante de huur over oktober 2012 heeft voldaan.


4.18.1.

Met betrekking tot de betekenis van deze betalingen voor de aan appellanten te verlenen bijstand geldt wat onder 4.10 en 4.11 is overwogen. Dat brengt mee dat het college met inachtneming van de voor appellante betaalde bedragen van woninghuur over september en november 2012 moet bepalen wat de hoogte is van de met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB op de individuele omstandigheden van appellanten afgestemde bijstandsnorm over die maanden.


Aan appellanten betaalde bedragen


4.19.

Niet in geschil is dat [naam] bedragen heeft overgemaakt op de bankrekening van appellante. Uit de overgelegde gegevens blijkt niet dat appellanten in de hier te beoordelen periode nog andere bedragen hebben ontvangen van [naam] of de schoonfamilie dan die, welke zijn vermeld onder 4.18.1. Het op 9 september 2012 naar de bankrekening van appellante overgemaakte bedrag van € 75,- blijft hier buiten beschouwing, omdat die datum buiten de te beoordelen periode valt.


4.20.

Uit 4.19 volgt dat de beschikbare gegevens geen aanleiding geven om middelen in mindering te brengen op de met inachtneming van 4.18.1 te verlenen bijstand.


Proceskosten


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante in het geding 13/6363. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.960,-.


6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten in de gedingen 13/6364 en 13/6365. Deze worden begroot op € 980,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.940,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep



13/6363:

  • - vernietigt aangevallen uitspraak 1;
  • - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 van 28 mei 2013 gegrond;
  • - vernietigt bestreden besluit 1 van 28 mei 2013;
  • - draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit 3 september 2012 te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
  • - veroordeelt het college in de kosten tot een bedrag van € 1.960,-;
  • - bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.

13/6364 en 13/6365:

  • - vernietigt aangevallen uitspraak 2;
  • - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 van 28 mei 2013 gegrond;
  • - vernietigt bestreden besluit 2 van 28 mei 2013;
  • - draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit 22 november 2012 te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
  • - veroordeelt het college in de kosten tot een bedrag van € 2.940,-.
  • - bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.





(getekend) A.B.J. van der Ham




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD