Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-2139 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:170

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Niet woonachtig op uitkeringsadres. Door geen juiste informatie te geven over zijn woon- en leefsituatie heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
13-2139 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2139 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 maart 2013, 12/3685 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Voor appellant is verschenen mr. Kramer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 7 september 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 13 januari 2009 staat hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).


1.2.

Naar aanleiding van een mededeling van Werkplein Nieuw West van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) van 23 januari 2012 dat appellant niet is verschenen op zijn re-integratietraject bij VSA Caroussel is door een handhavingsspecialist van de afdeling Handhaving van de DWI op 23 januari 2012 getracht een huisbezoek af te leggen op het uitkeringsadres waarbij appellant niet is aangetroffen. Op 24 januari 2012 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden waarna aansluitend een huisbezoek is afgelegd op het uitkeringsadres. Naar aanleiding van dit huisbezoek zijn bij de DWI vragen gerezen omtrent de woon- en leefsituatie van appellant, omdat de woning een onbewoonde indruk maakte. Op 2 februari 2012 is wederom een huisbezoek afgelegd en op 13 februari 2012 heeft appellant een verklaring afgelegd.


1.3.

Naar aanleiding van een op 27 februari 2012 van het Centraal Fraude Meldpunt ontvangen melding dat appellant sinds september 2010 niet meer woont op het opgegeven uitkeringsadres, maar bij familie en vrienden in Maastricht, Valkenburg en Heerlen verblijft en dat hij sinds enkele dagen bij zijn vriendin in [plaatsnaam] woont, heeft de afdeling Handhaving van de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Hierbij zijn waarnemingen verricht op het uitkeringsadres, zijn in overleg met de Sociale Recherche [plaatsnaam] (sociale recherche) waarnemingen verricht op het adres van [naam O] ([O]) te [plaatsnaam], is een huisbezoek afgelegd op het adres van [O], heeft appellant een verklaring afgelegd en heeft [O] een verklaring als getuige afgelegd. Na confrontatie met de bevindingen van het onderzoek heeft appellant nogmaals een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van de DWI van 19 april 2012.


1.4.

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 24 januari 2012 ingetrokken, omdat uit onderzoek naar de feitelijke woon- en verblijfplaats van appellant is komen vast te staan dat hij buiten de gemeente Amsterdam verblijft.


1.5.

Het college heeft het tegen het besluit van 24 april 2012 gemaakte bezwaar bij besluit van 18 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard met wijziging van de motivering. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van zijn verblijf buiten de gemeente Amsterdam. De verklaringen van appellant over de aanvang, omvang en aard van zijn verblijf buiten de gemeente komen niet overeen met de onderzoeksbevindingen. Door geen juiste informatie te geven over zijn woon- en leefsituatie heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Hierdoor is de woon- en leefsituatie onduidelijk en kan in ieder geval vanaf 24 januari 2012 het recht op bijstand niet langer worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant, evenals in bezwaar en beroep, betwist dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 24 januari 2012 niet woonachtig is geweest op het uitkeringsadres. De op 24 januari 2012 aangetroffen situatie was van tijdelijke aard en hield verband met het feit dat hij bezig was met het opknappen van zijn huis. Uit de door [O] afgelegde verklaring en de verrichte waarnemingen ter plaatse kan evenmin de conclusie worden getrokken dat hij in de periode van 24 januari 2012 tot en met 24 april 2012 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkings- of beëindigingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van

24 januari 2012 tot en met 24 april 2012 (te beoordelen periode).


4.2.

Voorop staat dat controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en leefsituatie van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de betrokkene recht heeft op bijstand. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van bijstand als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het gaat hier om een belastend besluit, zodat het aan het college is om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan.


4.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bevindingen van het onderzoek in onderlinge samenhang bezien een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat de woonsituatie van appellant in de te beoordelen periode onduidelijk was.


4.3.1.

Nadat op 23 januari 2012 is getracht een huisbezoek af te leggen op het uitkeringsadres waarbij appellant niet is aangetroffen, is bij de buren op het adres [adres] aangebeld. De buurman heeft verklaard dat appellant al zeker zes maanden niet woont op het uitkeringsadres, dat zijn vrouw hem rond kerst 2011 heeft gezien en dat hij toen met tassen kleding weer is verdwenen.


4.3.2.

Zwaarwegende betekenis komt toe aan de bevindingen bij het huisbezoek op 24 januari 2012 waarbij de woning een onbewoonde indruk maakte. De vloer was vervuild, op de vitrinekast lag een dikke laag stof en in de slaapkamer was een eenpersoons matras zonder beddengoed. In de keuken stond een friteuse met een dikke laag oud frituurvet en een vervuild vierpitsgasstel dat niet was aangesloten op de gasvoorziening, de koelkast was stuk en er was geen wasmachine aanwezig. Behalve een flesje ketjap werden in de woning geen levensmiddelen aangetroffen. In de badkamer was de douchekop helemaal droog en ook de vloer was helemaal droog en wit uitgeslagen. Ook kon appellant slechts een paar bankafschriften tonen. Tijdens dit huisbezoek heeft appellant weliswaar verklaard dat hij bezig was met het opknappen van zijn woning maar daarvoor zijn geen spullen aangetroffen. Achteraf is wisselend verklaard over de plaats waar de verf zich bevond.


4.3.3.

Tijdens het hierna op 2 februari 2012 afgelegde huisbezoek was de woning weliswaar gedeeltelijk schoongemaakt en was er een tweepersoonsbed voorzien van beddengoed aanwezig, maar de handhavingsspecialisten hebben niet geconstateerd dat de woning daadwerkelijk was opgeknapt. Ook toen kon appellant niet al zijn bankafschriften tonen. Tijdens dit huisbezoek is appellant een uitnodiging overhandigd voor een gesprek op het kantoor van de DWI op 9 februari 2012 waarbij appellant in de gelegenheid is gesteld de ontbrekende bankafschriften mee te brengen. Op 7 februari 2012 heeft de handhavingsspecialist persoonlijk een brief in de brievenbus op het uitkeringsadres gedeponeerd waarin de afspraak van 9 februari 2012 is verplaatst naar 13 februari 2012. Op

9 februari 2012 heeft appellant telefonisch te kennen gegeven dat hij die dag niet op de afspraak kon verschijnen. Hieruit blijkt dat hij de brief van 7 februari 2012 kennelijk nog niet had gezien.


4.3.4.

Op 13 februari 2012 heeft wederom een gesprek met appellant plaatsgevonden. Hierbij is hem onder andere voorgehouden dat het door hem opgegeven adres van vrienden in [woonplaats], bij wie hij regelmatig zou eten en die de was voor hem zouden doen, niet in overeenstemming is met de gegevens uit de GBA. Voorts kon uit de door appellant overgelegde bankafschriften geen duidelijkheid worden verkregen over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorzag. Appellant heeft in dat gesprek verklaard dat hij de brief van

7 februari 2012 pas op vrijdag 11 februari 2012 heeft gelezen.


4.3.5.

In de periode van 5 maart 2012 tot en met 15 maart 2012 zijn waarnemingen ter plaatse verricht bij het uitkeringsadres. Hierbij is geconstateerd dat appellant in ieder geval in de periode van 5 maart tot en met 8 maart 2012 en van 12 maart 2012 tot en met 14 maart 2012 niet op het uitkeringsadres is geweest.


4.3.6.

In de periode van 8 maart tot en met 29 maart 2012 zijn door de sociale recherche in [plaatsnaam] waarnemingen verricht waarbij is waargenomen dat de auto van appellant vrijwel dagelijks voor de woning van [O] stond. Op 29 maart 2012 heeft de sociale recherche tijdens een huisbezoek op het adres van [O] te [plaatsnaam] appellant aangetroffen. Hierbij heeft [O] verklaard dat appellant de laatste drie weken drie tot vier keer per week in haar woning slaapt en dat hij daarvoor, vanaf carnaval, tot drie weken geleden, zeker vier dagen bij haar was. Appellant heeft tijdens dit huisbezoek verklaard dat hij bij [O] was als zijn auto in de directe omgeving van haar woning is aangetroffen met uitzondering van half maart toen hij zijn auto aan vrienden heeft uitgeleend. Ook heeft hij verklaard dat hij regelmatig in Limburg bij vrienden op bezoek is, dat hij de laatste drie weken regelmatiger bij [O] is en dat hij niet kan zeggen hoeveel dagen per week hij bij haar is.


4.3.7.

Na confrontatie met de onderzoeksbevindingen heeft appellant op 2 april 2012 tegenover twee handhavingsspecialisten van de DWI verklaard dat hij op dit moment veel in Limburg is om een vriendin te helpen, hij haar sinds acht à negen maanden kent, hij sinds een week of vier regelmatig in [plaatsnaam] verblijft en dat het begon met zo’n twee keer per week, maar dat het meer is geworden. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij de DWI niet op de hoogte heeft gesteld van zijn veelvuldig verblijf buiten de gemeente [woonplaats].


4.3.8.

Aan de door appellant in beroep overgelegde verklaringen kan niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan wenst toe te kennen. Deze verklaringen zijn achteraf opgesteld, deels onvoldoende specifiek en wegen niet op tegen de hiervoor weergegeven onderzoeksbevindingen.


4.4.

Door geen duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kon worden vastgesteld.


4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) S.W. Munneke



HD