Centrale Raad van Beroep, 28-05-2015 / 13-6191 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1705

Inhoudsindicatie
Oplegging maatregel. Appellant heeft niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat hij in verband met zijn medische klachten niet in staat was de aangeboden taalcursus te volgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-28
Publicatiedatum
2015-06-05
Zaaknummer
13-6191 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6191 WWB

Datum uitspraak: 28 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2013, 13/4753 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Kuijper heeft bij faxbericht van 9 februari 2015 nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. Namens appellant is verschenen mr. Kuijper. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Voor hem golden de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.


1.2.

Omdat appellant niet was geslaagd voor een taaltoets Nederlands, is hem een taaltraject bij Sagenn aangeboden. Appellant heeft daarop aangegeven dat hij om medische redenen niet in staat is taallessen te volgen. Het college heeft daarin aanleiding gezien een medisch advies aan te vragen. Op 6 juni 2012 is appellant medisch onderzocht. In een “Sociaal Medisch Advies” van 7 juni 2012 heeft de bedrijfsarts van de Gemeentelijke geneeskundige dienst vastgesteld dat appellant psychische klachten heeft en bekend is met onderrugklachten, maar de bedrijfsarts heeft er geen bezwaar tegen dat appellant een taalcursus volgt. Appellant is volgens de bedrijfsarts ook geschikt voor lichte fysieke werkzaamheden waarbij hij niet langdurig loopt. Op 4 december 2012 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden. Het college heeft daarbij aangeboden het aantal te volgen dagdelen per week te verminderen van vijf naar vier, of eventueel naar drie, maar volgens appellant biedt dit voor hem geen oplossing. Appellant heeft vervolgens geweigerd de taalovereenkomst te ondertekenen. Een schriftelijke weergave van het gesprek van 4 december 2012 is door appellant ondertekend.


1.3.

Bij besluit van 6 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 mei 2013 (bestreden besluit), heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand met ingang van

1 januari 2013 voor de duur van één maand met 100% verlaagd op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant op 6 juni 2012 is onderzocht door een bedrijfsarts en dat deze arts in zijn rapport van 7 juni 2012 heeft geconcludeerd dat er voor appellant medisch gezien geen bezwaar bestaat tegen het volgen van een taalcursus. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege medische problemen niet in staat was om aan het taaltraject deel te nemen en niet is gebleken dat het onderzoek door de bedrijfsarts niet zorgvuldig is geweest. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant heeft geweigerd een taalovereenkomst te ondertekenen, zelfs toen het college het aantal te volgen dagdelen per week had verminderd. Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij niet wist dat hij op 4 december 2012 een verklaring heeft ondertekend met de strekking dat hij niet wenst mee te werken aan een taaltraject, heeft de rechtbank overwogen dat appellant geacht moet worden bekend te zijn met de inhoud van die verklaring en dat ook uit het gespreksverslag van het college duidelijk blijkt dat appellant niet wenste mee te werken aan het taaltraject.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat de maatregel ten onrechte is opgelegd en dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens appellant kan vanwege zijn gezondheidsklachten niet van hem worden gevergd dat hij een taaltraject doorloopt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De gemachtigde van appellant heeft bij faxbericht van 9 februari 2015 nog enkele stukken ingezonden. De Raad stelt vast dat deze stukken, zoals ook door de gemachtigde is onderkend, buiten de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn zijn ingediend. De Raad zal deze stukken met inachtneming van deze bepaling buiten beschouwing laten. Het college heeft zich ter zitting van de Raad niet laten vertegenwoordigen, en zich daarover dus niet kunnen uitlaten, en niet valt in te zien dat deze stukken, waaronder afsprakenkaarten en een overzicht van gebruikte medicatie, niet tijdig hadden kunnen worden ingediend.


4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de gedraging die aan de opgelegde maatregel ten grondslag ligt op grond van de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente [woonplaats] (verordening) moet worden gekwalificeerd als een gedraging van de tweede categorie die leidt tot een verlaging van 100% gedurende een maand. Het geschil spitst zich toe op de vraag in hoeverre het college in de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding had moeten zien om van het opleggen van een maatregel af te zien.


4.3.

De Raad onderschrijft het hierboven onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel rust. De door appellant in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden, die een herhaling zijn van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd, brengen de Raad niet tot een ander oordeel.


4.4.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant niet met medische stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij in verband met zijn medische klachten niet in staat was de aangeboden taalcursus te volgen. Voor het college bestond er daarom geen aanleiding om met toepassing van artikel 3, eerste lid, van de verordening van het opleggen van een maatregel af te zien.


4.5.

In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin grond gezien voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant die gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, dient te worden gematigd.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2015.




(getekend) A.M. Overbeeke




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD