Centrale Raad van Beroep, 20-05-2015 / 13-1179 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1713

Inhoudsindicatie
Het oordeel van de rechtbank was terecht: medisch onderzoek was voldoende zorgvuldig en de vastgestelde beperkingen juist. In hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie overgelegd die aanleiding geven voor een ander oordeel op de datum in geding. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, is appellante geschikt voor haar eigen werk en geselecteerde functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-20
Publicatiedatum
2015-06-04
Zaaknummer
13-1179 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1179 WIA

Datum uitspraak: 20 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

23 januari 2013, 12/7976 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.J. van de Griend hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. M.G. Evers heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellante.

Appellante heeft nadere stukken overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 april 2015, waar appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN



1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster debiteuren- en crediteurenbeheer voor 40 uur per week. Op 23 januari 2009 is zij voor dit werk uitgevallen door pijnklachten aan de rug en het bewegingsapparaat en psychische klachten. Het dienstverband is op 3 februari 2009 geëindigd. Met ingang van 21 januari 2011 is appellante in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.


1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante op 27 oktober 2011 onderzocht. Met inachtneming van de informatie van de behandelend reumatoloog van 25 november 2011 heeft de verzekeringsarts met betrekking tot de lichamelijke klachten geconcludeerd dat er geen toename is van de beperkingen. Voor psychische problematiek is volgens de verzekeringsarts geen aanwijzing meer. Voor een urenbeperking is geen indicatie meer. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellante sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek en heeft de hiermee verband houdende beperkingen voor het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 december 2011. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv in een rapport van 24 januari 2012 geconcludeerd dat appellante per 18 januari 2012 zowel geschikt was voor de maatgevende arbeid als voor gangbare arbeid, waarvan passende functies zijn geduid. Bij besluit van 30 januari 2012 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante met ingang van 1 april 2012 beëindigd omdat appellante het werk dat zij deed voordat ze ziek werd, weer kon doen.


1.3.

Bij besluit van 5 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 januari 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport ten grondslag gelegd van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

3 juli 2012.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante op zorgvuldige wijze hebben vastgesteld. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de medische bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen onjuist zouden zijn. Er is geen sprake van medische informatie op grond waarvan aangenomen kan worden dat appellante meer beperkingen had dan door de verzekeringsartsen is aangenomen.


2.2.

De rechtbank heeft ook de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is door de arbeidsdeskundige voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de maatgevende arbeid voor appellante als passend is beschouwd. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank door de arbeidsdeskundige voldoende toegelicht waarom ook de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt waren voor appellante.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat door het Uwv onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en beperkingen en dat door de rechtbank onvoldoende rekening is gehouden met hetgeen zij in beroep naar voren heeft gebracht. Ter nadere motivering van haar standpunten heeft appellante nog een brief overgelegd van haar behandelend reumatoloog van 31 maart 2015. Verder heeft appellante verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade, bestaande uit de wettelijke rente.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellantes stelling in hoger beroep dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en de beperkingen die daaruit voortvloeien, is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen. Appellante heeft in hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie overgelegd die aanleiding kan zijn voor een andersluidend oordeel over haar beperkingen voor arbeid op de datum in geding (1 april 2012).


4.2.

Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat appellante per 1 april 2012 niet geschikt zou zijn voor haar eigen werk van medewerkster debiteuren- en crediteurenbeheer. Met de rechtbank wordt overwogen dat de passendheid van dit werk door de arbeidsdeskundige van het Uwv voldoende inzichtelijk is gemaakt.


4.3.

Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden. Uit dit oordeel volgt dat het verzoek om schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente, moet worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot het vergoeden van de wettelijke rente af.


Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015.




(getekend) B.M. van Dun




(getekend) B. Fotchind





MK