Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-6414 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:176

Inhoudsindicatie
Weigering bijstand. Dakloze. Het college heeft bij het onderzoek naar de woon- en verblijfsituatie van appellant in voldoende mate het bij dat onderzoek te betrachten maatwerk geleverd. Appellant heeft onjuiste informatie verstrekt over één van de opgegeven adressen en hij is tijdens de locatiebezoeken bij dat adres noch bij adres 2 is aangetroffen. Ook was appellant tot tweemaal toe ’s morgens telefonisch niet bereikbaar was. Schending inlichtingen- en medewerkingsverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
13-6414 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6414 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2013, 13/1900 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.W. van Rijmenam-van Oosterom, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. van Rijmenam-van Oosterom. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 3 januari 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij heeft hij kenbaar gemaakt op verschillende adressen te verblijven. Op 23 januari 2013 heeft appellant de aanvraag om bijstand ingediend met de vermelding dat hij dakloos is. In het kader van die aanvraag heeft appellant over de periode van 3 tot en met 23 januari 2013 zogenoemde 7-dagenformulieren ingevuld. Op

23 januari 2013 heeft appellant op een daartoe bestemd en door hem ondertekend formulier ‘Opgave verblijfslocatie(s) dak- thuisloze’ (formulier) twee verblijfadressen in [woonplaats]opgegeven, te weten het adres [adres 1] (adres 1), met de opmerking: “internetwinkel is ’s nachts open tot in ieder geval ’s ochtends 8.00 uur” en het adres [adres 2] (adres 2) van [naam A] (A). Ook heeft appellant twee verblijfadressen buiten [woonplaats]opgegeven, te weten in Huizen en Hoofddorp. Voorts heeft appellant bij het formulier onder meer het volgende verklaard. Hij verblijft op de door hem opgegeven adressen en locaties en heeft daarvan volledige opgave gedaan. Hij zal medewerking verlenen aan het

huis-/locatiebezoek en onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarnaast verklaart appellant “op het door hem opgegeven telefoonnummer bereikbaar te zijn en de telefoon niet door te schakelen naar bijvoorbeeld voicemail, waardoor hij ook buiten de reguliere kantoortijden bereikbaar is”.


1.2.

De afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [woonplaats](DWI) heeft een onderzoek ingesteld naar de woon- en verblijfsituatie van appellant. Aan het rapport van 7 februari 2013, waarin de bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd, wordt het volgende ontleend. Twee handhavingsspecialisten van de DWI hebben op (maandag) 4 februari 2013 om 6.25 adres 1 bezocht. Op dat adres is een internetcafé gevestigd. Op het bord met openingstijden stond dat dit café was geopend van 16.00 uur tot 4.00 uur. De ruimte was niet verlicht. De handhavingsspecialisten hebben meerdere malen aangebeld, maar daarop werd niet gereageerd. Appellant werd niet op de locatie aangetroffen. Vervolgens hebben de handhavingsspecialisten om 8.00 uur een bezoek gebracht aan adres 2. A deed open en verklaarde dat appellant er niet was en dat appellant vorige week donderdag voor het laatst op adres 2 had geslapen en twee tot drie keer per week op haar adres slaapt. Op (dinsdag) 5 februari 2013 hebben de handhavingsspecialisten om 6.35 uur opnieuw adres 1 bezocht. Ook nu werd een niet verlichte ruimte aangetroffen, werd op meerdere malen aanbellen niet gereageerd en werd appellant niet op de locatie aangetroffen. Om 9.00 uur hebben de handhavingsspecialisten getracht appellant te bellen. Na enkele malen te zijn overgegaan, werd de telefoon doorgeschakeld naar de voicemail. Een volgende belpoging had hetzelfde resultaat. Om 16.35 uur hebben de handhavingsspecialisten appellant wel aan de telefoon gekregen. Appellant verklaarde dat hij zeker twee dagen had geslapen op het opgegeven adres in Huizen en dat hij de komende nacht misschien weer bij A zou gaan slapen. Op (donderdag) 7 februari 2013, om 8.50 uur, hebben de handhavingsspecialisten een bezoek gebracht aan adres 2. A verklaarde door de intercom dat appellant er niet was en op donderdag de week daarvoor voor het laatst bij haar was geweest. Aansluitend hebben de handhavingsspecialisten getracht appellant te bellen. Na enkele malen te zijn overgegaan, werd de telefoon doorgeschakeld naar de voicemail. Twee volgende belpogingen hadden hetzelfde resultaat.


1.3.

Bij besluit van 7 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 april 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. In tegenstelling tot wat appellant heeft verklaard, was het internetcafé op adres 1 niet non-stop tot 8.00 uur geopend. Uit de in 1.2 beschreven gang van zaken blijkt dat DWI adequate inspanningen heeft verricht om het eventuele recht op bijstand van appellant vast te stellen. In de situatie van appellant is geen standaardprocedure doorlopen, maar een procedure die alleszins passend was. Immers, meerdere malen is getracht om telefonisch tot afspraken te komen. Dat dit niet is gelukt komt voor rekening en risico van appellant. Appellant is de gemaakte afspraken niet nagekomen en heeft de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of appellant rechthebbende is als bedoeld in artikel 11 van de WWB.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek naar zijn woon- en verblijfsituatie onzorgvuldig is geweest, omdat daarbij niet het vereiste maatwerk is geleverd. Dit, omdat de handhavingsspecialisten slechts twee van de vier opgegeven verblijfadressen hebben bezocht. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hij wel degelijk zijn medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar zijn woon- en verblijfssituatie.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 3 januari 2013 (datum melding) tot en met 7 februari 2013 (datum afwijzingsbesluit).


4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een juiste toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. In een aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

21 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CAO554) geldt dit ook voor iemand die stelt dakloos te zijn. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.3.

Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het college toegelicht dat opgegeven adressen buiten [woonplaats]niet worden bezocht, maar dat controle van die adressen plaatsvindt door de betrokkene te bellen. In dit geval hebben de betrokken handhavingsspecialisten van de DWI de beide opgegeven adressen in [woonplaats]tweemaal bezocht en appellant driemaal geprobeerd te bellen. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank en anders dan appellant van oordeel dat het college bij het onderzoek naar de woon- en verblijfsituatie van appellant in voldoende mate het bij dat onderzoek te betrachten maatwerk heeft geleverd.


4.4.

Ten aanzien van adres 1 heeft appellant ter zitting naar voren gebracht dat het internetcafé op dat adres weliswaar sluit om 4.00 uur, maar dat op dat moment aanwezige bezoekers mogen blijven. Appellant betoogt dat de DWI hiernaar nader onderzoek had moeten doen door bij het internetcafé te informeren of de door appellant geschetste gang van zaken juist is. Aangezien dit niet is gebeurd, is het onderzoek onzorgvuldig geweest. Dit betoog slaagt niet. Het college mocht uitgaan van de juistheid van de opgave van appellant op het formulier dat de internetwinkel (lees: het internetcafé) in ieder geval tot 8.00 uur ’s morgens is geopend.


4.5.

Vaststaat dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt over één van de opgegeven adressen in [woonplaats]en dat hij tijdens de locatiebezoeken bij dat adres noch bij adres 2 is aangetroffen. Ook staat vast dat appellant tot tweemaal toe ’s morgens telefonisch niet bereikbaar was. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden. Als gevolg hiervan is de woonsituatie van appellant onduidelijk gebleven waardoor het recht op bijstand in de hier te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.


4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C. Moustaïne



HD