Centrale Raad van Beroep, 22-05-2015 / 13-1004 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1767

Inhoudsindicatie
Het oordeel van de rechtbank en de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen zijn juist. In hoger beroep heeft appellante in essentie haar standpunt herhaald. Geen medische stukken die haar standpunt onderbouwen. Subjectieve opvatting appellante. Dat een verbetering van haar medische situatie en van haar beperkingen tot dusverre is uitgebleven, leidt ook niet tot een ander oordeel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-06-09
Zaaknummer
13-1004 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1004 WIA

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

14 januari 2013, 11/2171 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 15 november 2011 (bestreden besluit) gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.


1.2.

Bij het bestreden besluit heeft het Uwv, onder meer en voor zover hier van belang, vastgesteld dat voor appellante met ingang van 24 juni 2011 recht is ontstaan op een naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% vastgestelde loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), maar daarbij tevens in afwijzende zin beslist op het verzoek van appellante om in aanmerking te worden gebracht voor een IVA-uitkering, onder overweging dat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep de arbeidsbeperkingen van appellante niet duurzaam zijn.


2.1.

De rechtbank heeft over de door appellante in beroep gehandhaafde opvatting dat zij recht kan doen gelden op een IVA-uitkering, overwogen dat zij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt over de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van appellante. Dat oordeel komt erop neer dat in de situatie van appellante per datum einde wachttijd 24 juni 2011, sprake is van rugklachten die aspecifiek van aard zijn, een gehoorstoornis die matig van aard is, van diabetes mellitus type II die goed onder controle is en tot slot van psychische klachten die met name sterk zijn gerelateerd aan de sociale problematiek van appellante, waarbij geldt dat er voor de klachten van appellante nog goede behandelingsmogelijkheden zijn. De rechtbank heeft het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bij de vorming van welk oordeel deze de voorhanden zijnde informatie uit de behandelend sector van appellante heeft betrokken, deugdelijk gemotiveerd geacht.


2.2.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellante haar standpunt dat zij als duurzaam arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd en er geen behandelingsmogelijkheden meer zijn, niet met (medische) stukken heeft onderbouwd, wat in het licht van de rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2010:BN9226 van 1 oktober 2010) wel van haar mag worden verwacht. De rechtbank heeft dan ook geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit en heeft geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft kunnen besluiten dat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt is.


3. In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat zij recht heeft op een IVA-uitkering, omdat haar arbeidsbeperkingen als duurzaam vallen aan te merken. Zij stelt dat de beperkingen die zij ondervindt van haar verschillende gezondheidsklachten niet zullen verminderen en dat die beperkingen tot dusverre ook feitelijk niet zijn verminderd.

4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit door de rechtbank in stand zijn gelaten.


4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen zijn juist.


4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een enkele herhaling van wat zij eerder naar voren heeft gebracht. Vastgesteld moet worden dat appellante haar eigen mening betreffende de duurzaamheid van haar beperkingen ook in hoger beroep niet nader aan de hand van medische stukken heeft onderbouwd. De enkele subjectieve opvatting van appellante brengt de Raad niet tot een ander oordeel dan het oordeel waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen.


4.4.

Wat appellante heeft aangevoerd over een tot dusverre uitgebleven verbetering van haar medische situatie en van haar beperkingen, kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het gaat immers om de vraag of de verzekeringsarts bezwaar en beroep, uitgaande van de op dat moment beschikbare gegevens over de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding en voor de voor haar aandoeningen bestaande behandelingsmogelijkheden, tot de inschatting kon komen dat haar arbeidsmogelijkheden naar verwachting zouden kunnen toenemen. De stelling van appellante dat een daadwerkelijke verbetering is uitgebleven - wat daar overigens van zij - is voor die beoordeling niet relevant.


4.5.

Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.4 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het

vernietigde bestreden besluit van 15 november 2011 in stand zijn gelaten.

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en D.J. van der Vos en P.H. Banda en als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) K. de Jong



HD