Centrale Raad van Beroep, 19-05-2015 / 13-5899 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1778

Inhoudsindicatie
Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-19
Publicatiedatum
2015-06-08
Zaaknummer
13-5899 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5899 WIA

Datum uitspraak: 19 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 september 2013, 12/5157 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.A. Madern, advocaat, en M. Cordez als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 22 februari 2010 uitgevallen voor zijn werk als medewerker gemeentelijke dienstverlening vanwege klachten aan de rechterschouder, met nadien bijkomende psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 2 maart 2012 vastgesteld dat voor appellant met ingang van

20 februari 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Daaraan ligt het standpunt van de verzekeringsarts ten grondslag, dat appellant beperkingen heeft die samenhangen met de klachten van de rechterschouder en de psychische klachten. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor het eigen werk, maar met de vastgestelde beperkingen geschikt kan worden geacht gangbare arbeid te verrichten.


1.2.

Bij besluit van 6 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 augustus 2012 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

4 september 2012.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig plaatsgevonden en is de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant in bezwaar ingebrachte informatie van de orthopedisch chirurg en uroloog in zijn beoordeling betrokken. Hij heeft in navolging van de uroloog geconcludeerd dat de geconstateerde afwijking op de rechternier op een fysiologische bevinding in de rechternier berust en dat dit niet hoeft te worden gecontroleerd. Verder heeft hij de diagnose van de orthopedisch chirurg overgenomen. De rechtbank is niet gebleken van een inconsistentie tussen de medische oordelen van de medisch specialisten enerzijds en de verzekeringsarts bezwaar en beroep anderzijds. Gelet op de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het feit dat appellant in beroep geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat vanwege zijn klachten aanvullende beperkingen aangewezen zouden zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

23 augustus 2012.


2.2.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ziet de rechtbank gelet op de gegeven toelichting bij de geduide functies geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 4 september 2012, dat de belasting in de functies binnen de belastbaarheid van appellant valt.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn rug-, schouder- en psychische klachten. Vanwege deze klachten acht hij zich niet geschikt de werkzaamheden in de geduide functies te vervullen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij nadere medische gegevens overgelegd.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit, is in essentie een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft betoogd. De rechtbank heeft die beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen worden door de Raad onderschreven.


4.2.

Ook in hoger beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt geen medisch objectiveerbare stukken ingebracht waarin aanleiding is te vinden voor het oordeel dat hij meer of zwaarder beperkt is dan in de FML is aangenomen. Met betrekking tot de in hoger beroep nader overlegde brieven met inlichtingen van de behandelend sector heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat deze informatie geen relevantie heeft voor de datum hier in geding. De Raad heeft geen aanleiding om aan dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De brief van de huisarts ziet weliswaar ook op de datum in geding maar bevat geen nieuwe informatie.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat voldoende is gemotiveerd dat gelet op de belastende aspecten in de functies de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden, zodat hij geschikt is te achten de werkzaamheden in deze functies te verrichten.


4.4.

Uit hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2015.