Centrale Raad van Beroep, 09-06-2015 / 13-6989 Bbz


ECLI:NL:CRVB:2015:1785

Inhoudsindicatie
Geen dringende redenen om van terugvordering van bedrijfskrediet af te zien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-09
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
13-6989 Bbz
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6989 Bbz, 13/6990 Bbz

Datum uitspraak: 9 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

26 november 2013, 13/1541 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.H. van Dijke, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. S. Groothuismink, advocaat, heeft de behandeling van de zaak overgenomen van

mr. Van Dijke.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2015. Namens appellanten is verschenen mr. Groothuismink. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

S. ten Kate.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant is in 2007 vanuit een uitkering op grond van de Werkloosheidswet gestart met een groothandel in schoonmaakartikelen. Het college heeft appellanten van 1 september 2008 tot 1 september 2010 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004

(Bbz 2004) een periodieke uitkering levensonderhoud verleend in de vorm van een geldlening. Bij besluit van 6 maart 2009 heeft het college appellanten op grond van het Bbz 2004 een bedrijfskrediet van € 20.000,- toegekend, eveneens in de vorm van een lening.


1.2.

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft het college het aan appellanten verleende bedrijfskrediet inclusief rente van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 23.411,78. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten ondanks aanmaningen niet voldoen aan de betalingsverplichtingen verbonden aan het bedrijfskrediet. Het college heeft meegedeeld dat ten aanzien van de verstrekte uitkering levensonderhoud de schuld nog € 22.223,58 bedraagt.


1.3.

Bij besluit van 31 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2012 ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De vermelding in het besluit van de schuld in verband met de verstrekte uitkering voor levensonderhoud heeft volgens het college geen rechtsgevolgen, aangezien over de terugvordering van deze uitkering al eerder besluiten zijn genomen.


2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het college dat geen dringende redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien, onderschreven.


3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat de door hen genoemde omstandigheden wel dringende redenen vormen om van terugvordering af te zien. Appellant is ten gevolge van een herseninfarct in 2009 niet of nauwelijks meer tot werken in staat. De terugvordering leidt voor appellant tot grote spanningen, met het risico dat hij nog een herseninfarct krijgt. De terugvordering en invordering zullen bovendien leiden tot het faillissement van de onderneming van appellant. De opbrengsten wegen in dat geval niet op tegen de kosten. Ter zitting hebben appellanten nog aangevoerd dat de financiële en gezondheidssituatie van appellant ernstig is verslechterd. Hij is inmiddels dakloos. Het college heeft zijn invorderingsbevoegdheid niet zorgvuldig en proportioneel gebruikt, aldus appellanten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.


4.1.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of het college in de omstandigheden die appellanten hebben aangevoerd dringende redenen had moeten zien om van terugvordering van bedrijfskrediet af te zien. Zoals de Raad eerder heeft overwogen

(CRvB 12 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3834) kunnen dringende redenen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004 slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.


4.2.

Het betoog van appellanten dat hiervan sprake is, slaagt niet. Het is weliswaar duidelijk dat appellant in moeilijke omstandigheden verkeert, maar niet is gebleken dat deze een gevolg zijn van het bestreden besluit. Dat de terugvordering voor appellant tot spanningen leidt, is aannemelijk. Dit maakt echter niet dat sprake is van een bijzonder en uitzonderlijk geval. Voor de door appellanten aangevoerde financiële problemen geldt dat de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien het college daadwerkelijk tot invordering overgaat. Appellanten hebben dan de bescherming van de wettelijke regels over de beslagvrije voet. Uit de door appellanten ter zitting overgelegde stukken blijkt dat vaststelling van de beslagvrije voet in dit geval problematisch is. De invordering valt echter buiten de omvang van dit geding. Voor zover er sprake is van een dreigend faillissement is niet aannemelijk dat dit enkel wordt veroorzaakt door het hier in geding zijnde terugvorderingsbesluit, gelet op de aanwezige andere schulden. De Raad volgt appellanten ten slotte niet in hun betoog dat de terugvordering moreel niet verantwoord is, omdat het college wegens de financiële risico’s niet tot verlening van het bedrijfskrediet had mogen overgaan. De verantwoordelijkheid voor de eventuele nadelige gevolgen van toekenning van het door hen aangevraagde krediet ligt primair bij appellant.


4.3.

De hoger beroepsgrond dat appellanten meer dan voldoende hebben aangevoerd om tot herziening van de terugvorderingsbesluiten over te gaan, behoeft geen verdere bespreking. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellanten bevestigd dat zij geen verzoek om herziening hebben gedaan. Hoe dan ook ligt een dergelijk verzoek hier niet voor.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) J.L. Meijer




HD